Het Klankbord . . . SDN homepage

Antwoord minister VWS op vragen van de leden van de PvdA-, CDA-, en SP-fractie over de brief van minister Borst inzake stopzetten epidemiologisch onderzoek

Terug naar vorige pagina


Zwarte tekst = vraagstelling door politieke partijen
Blauwe tekst = beantwoording door minister Borst VWS
Rode  tekst   = Commentaar van Het Klankbord op de antwoorden van de minister


Kenmerk
DBO-CB-U-2200024

Vragen PvdA-fractie
1.
Bent u van mening dat praktische belemmeringen (zoals werk) en twijfel aan het nut, de opzet en/of de wijze waarop de resultaten van het epidemiologisch onderzoek gebruikt zouden gaan worden” valide argumenten zijn om het epidemiologisch onderzoek stop te zetten? Zo ja,waarom? Wat is uw mening ten aanzien van de stelling dat juist dit soort belemmeringen door de overheid weggenomen zouden moeten kunnen worden, wanneer groot belang aan het epidemiologisch onderzoek gehecht wordt? (blz. 5)
1.
Het betreft redenen/motieven voor bewoners om af te zien van deelname, zodat er onvoldoende personen zijn om het epidemiologisch onderzoek wetenschappelijk verantwoord uit te voeren. Dit laatste is het argument om het onderzoek stop te zetten. In de communicatie van het stadsdeel Amsterdam Zuidoost met de bewoners is er alles aangedaan om de bewoners te overtuigen van de zin van het onderzoek. Desondanks is bij een groep bewoners de indruk blijven bestaan dat het onderzoek geen nut heeft.
Ik betreur dit. Ik meen echter dat het stadsdeel Amsterdam Zuidoost zich tot het uiterste heeft ingespannen om uitleg te geven over doelstelling, wetenschappelijke opzet en andere achtergronden aan de potentiële deelnemers. Overigens is het een algemeen gegeven dat bij een dergelijk groot opgezet onderzoek personen afzien van deelname omdat ze geen persoonlijk nut zien.
Aan het gegeven dat soms het feit dat men werkt een belemmering vormde, is vanuit de positie van mijn ministerie of vanuit het stadsdeel Amsterdam Zuidoost weinig te doen. Er is geen formele verplichting voor werkgevers om een werknemer in de gelegenheid te stellen om aan een dergelijk onderzoek zonder persoonlijk belang deel te nemen. Overigens ontvangen bewoners een onkostenvergoeding van f 50,-- en tickets voor openbaar vervoer .

De minister laat hier na te vermelden dat veel Bijlmer slachtoffers zijn blootgesteld aan een ontmoedigingsbeleid van de minister en haar departement, alsmede door uitvoerend personeel inzake het individueel medisch onderzoek.
Veel slachtoffers kregen te horen dat zij wel ziek waren, maar men kon niet vertellen om welke ziekte het zou gaan. Een ding was echter zeker, het kon niet van de Bijlmerramp afkomstig zijn.
Een ander voorbeeld: "gaat U maar groene thee drinken en in de leer bij Baghwan, dan geneest u vanzelf".
Bewoners en andere slachtoffers eisen al vanaf het begin van het onderzoek de uitvoering van 2 onderzoeken: Het mycoplasma onderzoek van Dr. Nicolson en het verarmd uranium onderzoek van Dr. Durakovic. Deze onderzoeken worden door de minister stelselmatig geweigerd met evenzovele drogredenen.
Onderzoeken die in onze omringende landen valide worden verklaard worden door onze minister als kwakzalverij afgewezen. Artsen die medicatie voorschrijven op advies van Dr. Nicolson probeert de minister via het medisch tuchtrecht te vervolgen.
Het verarmd uranium onderzoek van Dr. Durakovic zou veel te zwaar belastend zijn voor de zieke Bijlmerslachtoffers omdat zij hiervoor 2 liter urine moeten inleveren. Ondanks vele klachten over het individuele onderzoek stuurt de minister slechts een bericht via de media het land in: "De slachtoffers zijn zeer tevreden over het individuele medisch onderzoek". etc. etc.

2.
Waarom stelt u dat “op voorhand dus niet te zeggen is of er ondanks het niet doorgaan van het epidemiologisch onderzoek onder bewoners toch een uitspraak zal komen over de relatie tussen de gezondheidsklachten onder bewoners en de vliegramp” terwijl u even daarvoor schrijft: “alleen indien het onderzoek een bepaalde omvang bereikt is het mogelijk om een wetenschappelijk verantwoorde onderbouwing te geven voor een uitspraak over een eventueel verband tussen de huidige gezondheidsklachten en de vliegramp”? (blz. 6)
2.
Wellicht ben ik in mijn brief op dit punt niet helemaal duidelijk geweest. Het niet doorgaan van het epidemiologisch onderzoek onder bewoners betekent in principe dat over één van de te onderscheiden doelgroepen, namelijk de bewoners, geen rechtstreekse uitspraak gedaan kan worden over de relatie gezondheidsklachten-vliegtuigramp. Ik heb echter het EMGO-Instituut gevraagd of uitspraken over de andere doelgroepen (hulpverleners en KLM-medewerkers hangar 8) vertaald kunnen worden naar de situatie onder de bewoners.
Het lijkt bijvoorbeeld voor de hand te liggen, dat indien bepaalde gezondheidsklachten van hulpverleners geen relatie blijken te hebben met de vliegtuigramp, dit ook geldt voor de bewoners.
Het EMGO-instituut heeft mij er van overtuigd dat een dergelijke eenvoudige vertaalslag niet te maken is. Over een mogelijke vertaalslag zal ik nog verder met het EMGO-instituut overleggen.

3.
Waarom is het niet mogelijk om een vergelijkbare controlegroep samen te stellen, bijvoorbeeld uit een andere wijk met een overeenkomstige bevolkingsstructuur? (blz. 5)
3.
Een controlegroep moet idealiter volkomen vergelijkbaar zijn aan de groep getroffenen, met als enige uitzondering de betrokkenheid bij de ramp. De bevolking van Amsterdam Zuidoost is uniek, in sociaal, cultureel, economisch en etnisch opzicht. Indien voor andere wijken zou worden gekozen met andere bevolkingskenmerken, is de kans (te) groot dat er verschillen in gezondheid bestaan tussen inwoners van Amsterdam Zuidoost en die van mogelijke andere te kiezen controlegroepen. Deze verschillen zouden dan ten onrechte kunnen worden aangezien als effecten van de ramp, of omgekeerd, de werkelijke effecten van de ramp kunnen versluieren.
Overigens mag aangenomen worden dat indien elders, dus buiten de Bijlmermeer, een vergelijkbare controlegroep gevonden zou kunnen worden, deze een nog lagere respons zou laten zien. Immers voor deze personen zou de problematiek nog verder van het bed zijn.

De minister vergeet hier een extra optie weer te geven, namelijk het aantal contrôleflats te verhogen.
Op dit moment is aangegeven dat de contrôle groep uit 6 woonflats mogen worden geselecteerd, n.l.: Kruitberg, Groeneveen, Kikkenstein, Hoogoord, Fleerde en Daalwijk. (totaal +/- 6000 inwoners = +/- 7,5% van de Bijlmer inwoners) van deze 6000 inwoners waren er als reeds een 2000 - 2500 ziek geworden, zijn er al een aantal te oud geworden, zijn er al een aantal mensen overleden, zijn er al een aantal mensen verhuisd naar elders in den lande, zijn er een aantal mensen geremigreerd, zijn er een aantal mensen niet meer via de burgerlijke stand niet te traceren en zijn er een aantal mensen diewerken en om die reden niet kunnen deelnemen als vrijwillige controle persoon.
Derhalve kan worden gesteld dat het stadsdeel een uiterste inspanning heeft geleverd door 2100 mensen bereid te vinden tot deelname als controle persoon en is de respons relatief hoog.
Hieruit kan worden gesteld dat het stopzetten een drogreden is als het gaat om het verkrijgen van een (volume)contrôlegroep.

4.
Bent u bereid alsnog een uiterste inspanning te verrichten, bijvoorbeeld door de in vraag 1 genoemde belemmeringen weg te nemen of een wetenschappelijk verantwoorde controlegroep uit een andere wijk samen te stellen, om het epidemiologisch onderzoek toch plaats te laten vinden? Zo nee, waarom niet? ( blz. 5)
4.
Zie ook de beantwoording van vraag 1 en 3. Ik acht mij zelf en de stadsdeelraad Amsterdam Zuidoost niet in de positie om werkgevers te bewegen om meer medewerking te verlenen aan hun medewerkers die willen deelnemen aan het epidemiologisch onderzoek.
Naar mijn mening is zeer veel inspanning verricht om over nut en gedegenheid van het onderzoek te communiceren. Het is niet mogelijk om zonder nieuwe onderzoeksmatige problemen voor een nieuwe contrôlegroep te kiezen.

Zie ook hier het commentaar op beantwoording van vraag 3.

5.
Waarom is het epidemiologisch onderzoek eerst stopgezet en is daarna pas de Kamer geïnformeerd, terwijl de Kamer om dit onderzoek heeft gevraagd? ( blz. 6)
5.
Ik heb u eerder in september 2000 en februari 2001 via voortgangsbrieven gemeld dat er grote problemen waren met de deelname aan het epidemiologisch onderzoek. Ik heb voortdurend de deadline om definitief te beslissen over de voortgang van het epidemiologisch onderzoek uitgesteld. Ik wilde meer gelegenheid creëren om voldoende bewoners bereid te vinden deel te nemen aan dit onderzoek.
Eind mei 2001 bleek dat de deelname aan het epidemiologisch onderzoek onder bewoners sterk achterbleef bij de noodzakelijke omvang van 70%. Dit ondanks een extra verlaging van de drempel door het in gebruik nemen van een onderzoeksruimte op een locatie in Amsterdam Zuidoost. De gezamenlijke opdrachtgevers hebben expliciet aan het EMGO-instituut de vraag voorgelegd of het mogelijk was om met een lager percentage te volstaan.
Dit bleek absoluut niet mogelijk.
Vervolgens heb ik in overleg met de andere opdrachtgevers een zogenaamd stoppenprotocol in werking gezet, dat leidde tot een besluit van de gezamenlijke stuurgroepen van de opdrachtverleners op 22 juni jl..
Ik ben van mening dat er op dat moment geen keuze aan de orde was, waarover ik met u in debat zou kunnen gaan om de pro en contra’s te bespreken. Het besluit was mijns inziens onvermijdelijk, gezien de ontwikkeling in het aantal aangemelde deelnemers en de omvang van de uitval bij het maken van een afspraak. De begeleidingscommissie MOVB, die bestaat uit terzake deskundigen, heeft dit beeld bevestigd en positief over het stopzetten geadviseerd.
Overigens wordt het individueel medisch onderzoek naar de gezondheidsklachten van bewoners en daaraan gekoppeld het geven van een gericht behandeladvies, zoals geformuleerd in één van de aanbevelingen van de parlementaire enquêtecommissie wel conform mijn toezegging aan uw Kamer uitgevoerd.

Allereerst willen wij er op wijzen dat de extra behandelruimte pas 1 jaar na aanvang van het onderzoek in werking is gesteld.
Als tweede willen wij opmerken dat waar de minister spreekt over het individueel medisch onderzoek naar de gezondheidsklachten van bewoners en daaraan gekoppeld het geven van een gericht behandeladvies, er veelal geen nader onderzoek wordt uitgevoerd in afwachting van de resultaten en uitkomsten van het beloofde epidemiologische onderzoek, zoals ook regelmatig is geadviseerd als behandeladvies.
Voor de keuze waar de minister over spreekt verwijzen wij naar ons commentaar op de beantwoording van vraag 3.

6.
Waarom werd 15% van de aanvragen om financiële tegemoetkoming te laat ingediend? Zijn er specifieke redenen voor de te late indiening bekend? Is bekend of in deze 15%, aanvragen zaten die wel gehonoreerd zouden zijn als ze op tijd waren ingediend? (blz. 3)
6.
Deze vraag kan ik momenteel niet beantwoorden. Ik zal hierop terugkomen na het eerder genoemde afrondende gesprek met het bestuur van de stichting Hulpfonds Gedupeerden Bijlmerramp.

Vragen CDA-fractie

7.
De vraag om een epidemiologisch onderzoek is met name op initiatief van de Tweede Kamer ingezet. Het is dan ook zeer vreemd dat de Kamer op de hoogte wordt gebracht van stopzetting van het onderzoek nadat dit definitief is stopgezet. Waarom is een dergelijke procedure gevolgd? (blz.6).
7.
Het kabinet heeft op basis van de desbetreffende aanbeveling van de parlementaire enquêtecommissie toegezegd om een individueel medisch onderzoek onder bewoners te starten, gekoppeld aan een behandelingsadvies. Deze toezegging wordt gestand gedaan.
Het wetenschappelijk onderzoek naar de relatie tussen gezondheidsklachten en de vliegtuigramp in de vorm van een epidemiologische studie is later toegevoegd, met name op aandringen van de hulpverleners van de gemeente Amsterdam. Zie voor een beschrijving van de gevolgde procedure en de overwegingen daarbij de beantwoording van vraag 5.

8.
Indien het niet mogelijk is om in de Bijlmer een representatieve contrôlegroep samen te stellen, waarom zijn dan geen pogingen ondernomen om elders in het land in een wijk met een vergelijkbare bevolkingsstructuur een dergelijke contrôlegroep bijeen te krijgen? (blz.5).
8.
Dit is op basis van wetenschappelijke overwegingen niet mogelijk. Zie voor een toelichting de beantwoording van vraag 3.

zie ook hier het toegevoegde commentaar op de beantwoording van vraag 3.

9.
Bent u bereid alsnog al het mogelijke te doen om een verantwoorde contrôlegroep uit een andere wijk samen te stellen opdat het onderzoek toch volledig kan plaatsvinden? Zo nee, waarom niet? (blz.5).
9.
Gezien het feit dat op basis van wetenschappelijke overwegingen niet mogelijk is om een verantwoorde contrôlegroep samen te stellen uit andere wijken, heeft het geen zin om hiertoe (alsnog) het initiatief te nemen. Zie ook de beantwoording van de vragen 3 en 8.

zie ook hier het toegevoegde commentaar op de beantwoording van vraag 3.

10.
In uw brief geeft u de belemmeringen aan die tot stopzetting van het onderzoek hebben geleid. De vraag is of met name de minister (overheid) niet deze belemmeringen ongedaan zou moeten maken bij een dergelijk belangrijk onderzoek?
10.
Voor een deel is gepoogd om deze belemmeringen weg te nemen. Voor wat betreft belemmeringen door werk zijn mijn ministerie en de stadsdeelraad Amsterdam Zuidoost niet in de positie om hierin verandering te brengen. Zie voor een toelichting de beantwoording van vraag 1.

zie ook hier het toegevoegde commentaar op de beantwoording van vraag 1.

Vragen SP-fractie

11. Klopt het dat vrijwillige hulpverleners niet in het epidemiologische onderzoek zijn opgenomen zoals de Klankbordgroep stelt? Zo ja, waarom niet en zijn zij wel opgenomen in het individuele onderzoek? (blz. 1).
11.
De vrijwillige hulpverleners zijn wel deelnemer aan het individueel medische onderzoek, maar zijn niet als afzonderlijke groep in het epidemiologisch onderzoek betrokken.
Vrijwillige hulpverleners die tevens in de Bijlmermeer woonden, kunnen in principe als (getroffen) bewoner deelnemer zijn aan het epidemiologisch onderzoek.
Idealiter zou de volledige groep hulpverleners (professioneel én vrijwillig) moeten worden vergeleken met een passende contrôlegroep. Deze groep omvat een grote veelheid van verschillende functies en werkzaamheden.
Bij al deze diversiteit zou dus een nauwkeurig even diverse contrôlegroep moeten worden samengesteld. Een dergelijke aanpak is buitengewoon gecompliceerd. Bovendien is het vinden en vooral ook het laten meedoen van een dergelijke heterogene groep niet mogelijk.
Er is daarom, noodzakelijkerwijs, gekozen voor een onderzoeksopzet waarbij een beperkt aantal goed omschreven groepen, met een duidelijk perspectief voor identificatie en deelname van een contrôlegroep. Het betreft dan de professionele hulpverleners.
Binnen deze groep wordt de blootstelling vastgesteld door middel van vragenlijsten en van informatie die bij de betreffende werkgevers nog beschikbaar is. Zo komt informatie beschikbaar voor groepen met een hoge respectievelijk lage blootstelling. Deze informatie kan worden gebruikt voor uitspraken over hoog en laag blootgestelde individuen die niet hebben deelgenomen aan het epidemiologisch onderzoek, zoals bijvoorbeeld vrijwillige hulpverleners.

De minister laat hier na te vermelden dat de vrijwillige hulpverleners de grootste en hoogste rook belasting hebben opgelopen. RVHV'ers kunnen worden vergeleken met andere RVHV'ers elders in den lande, hetzelfde geldt voor SIGMA teams, Rode kruizers, Leger des Heils medewerkers, Ambulance personeel, slopers, etc.
Onder de bevolking en vrijwillige hulpverleners roept het niet onderzoeken een gevoel op dat de minister juist de zwaarst belastte groepen van het epidemiologisch onderzoek uitsluit om op deze manier tot een gerust stellend en voor de minister gunstig antwoord te kunnen komen.
De nauwkeurigheid zoals de minister hier aangeeft betracht zij immers ook niet voor het vaststellen van de contrôlegroepen van bewoners en beroepshulpverleners. Hierbij kijkt de minister ook niet naar neven functies of hobby's waar mensen aan zijn blootgesteld.
Sterker nog, de minister gebruikt deze groep (waarvan velen slechts voorzorg aanmelders zijn geweest), die veelal op grotere afstand van de rampplek werkzaam zijn geweest en wanneer werkzaam op de rampplek veelal voorzien van adembescherming als vergelijkingsmateriaal voor de slachtoffers die een grote blootstellinggrens hebben ondervonden.

12.
Op welke manier heeft overleg plaatsgevonden met het stadsdeel Amsterdam Zuidoost om het epidemiologisch onderzoek onder de bewoners stop te zetten? Heeft met het dagelijkse bestuur daadwerkelijk overleg plaatsgevonden en is de deelraad hierin gekend? (blz. 1).
12.
Op ambtelijk niveau is uitvoerig contact geweest over de groeiende zorg over de achterblijvende deelname aan het epidemiologisch onderzoek. Het is immers het stadsdeel dat zich met financiële steun van het departement in het verleden bereid verklaarde om voor voldoende deelnemende bewoners aan het epidemiologisch onderzoek te zorgen. Alle wervingsinspanningen zijn dan ook via het stadsdeel verlopen. Het stadsdeel Amsterdam Zuidoost is deelnemer aan de vergadering van de gezamenlijke opdrachtgevers met de opdrachtnemer (KLM Arboservices b.v.), de zogenaamde Dagelijkse Leiding en aan de vergaderingen van de gezamenlijke stuurgroepen. Hierin participeert ook mijn ministerie.
Zoals gebruikelijk is hebben de betreffende ambtenaren van het stadsdeel de voorzitter van de stadsdeelraad altijd op de hoogte gehouden van de problematiek en de voorbereiding van het stopzetten van het epidemiologisch onderzoek onder de bewoners. Ambtelijk is expliciet aan mijn departement teruggemeld dat de voorzitter van de stadsdeelraad ook geen andere mogelijkheid meer zag dan het stoppen van dit deel van het onderzoek.
Ik heb zelf telefonisch met de voorzitter van het dagelijks bestuur gesproken over de stopzetting . .. .

Ook hier laat de minister een staaltje zien van hoe leg ik de schuld bij een ander.
De minister informeert de 2e kamer hiermee wederom... en daar zijn ze weer... de bekende OOOO'tjes... Juist de minister heeft het stadsdeel een aantal beperkingen gegeven in het werven van de benodigde contrôlegroep. De minister stelde bij aanstelling van de Stadsdeelraad als eis dat de contrôlegroep uit totaal 6 door de minister vooraf aangewezen flats moest komen. Het stadsdeel heeft derhalve geen advies gegeven om het epidemiologische onderzoek te stoppen, maar moeten melden dat de door de minister opgelegde eis niet haalbaar kon zijn.

13.
Is het waar dat geen overleg over de uiteindelijke stopzetting en ook niet over de eerdere discussiemomenten hierover, met de Klankbordgroep heeft plaatsgevonden en zo nee, waarom niet? (blz. 1).
13.
Het stadsdeel Amsterdam Zuidoost heeft regelmatig met de klankbordgroep, waarvan de vergadering wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van het stadsdeel, overlegd over de situatie rond het medisch onderzoek en de problemen die zich voordeden. Ook heeft het EMGO-instituut in het voorjaar een presentatie verzorgd voor de klankbordgroep.
In de voorbereiding van het besluit om te stoppen heeft het stadsdeel zo goed mogelijk de meningen onder de bewoners ingebracht bij het uitstippelen van het te voeren beleid. Daarnaast heeft ook de begeleidingscommissie in haar advies rekening gehouden met de opvattingen en gevoelens onder de bewoners. Het concrete voorgenomen besluit is echter niet vooraf aan de klankbordgroep voorgelegd. Achteraf was het wellicht verstandiger geweest om dit wel te doen. Ik meen echter dat hiervoor hetzelfde geldt als het gestelde in de beantwoording van vraag 5, namelijk dat er geen sprake was van het maken van een keuze, waarover nog discussie open stond.

zie ook hier het toegevoegde commentaar op de beantwoording van vraag 5.

14.
Waarom is het besluit tot stopzetting van het epidemiologisch onderzoek zonder overleg met de Tweede Kamer genomen? (blz. 1).
14.
De gevolgde procedure en de overwegingen daarbij heb ik genoemd bij de beantwoording van vraag 5 en 7.

zie ook hier het toegevoegde commentaar op de beantwoording van vraag 5.

15.
Zijn er klachten over de nazorg? Wordt door de huisartsen in de Bijlmer correct doorverwezen in geval van patiënten met PTSS of onverklaarbare klachten? En hoe zit het met huisartsen buiten de Bijlmer, bijvoorbeeld van hulpverleners of ex-bewoners, zijn deze ook geïnformeerd en bijgeschoold op het gebied van herkennen, behandelen en correct doorverwijzen van patiënten met PTSS? (blz. 3). 15.
Tot nu toe hebben mij geen klachten over de nazorg in directe zin bereikt. Wel heeft een groep lotgenoten zich verenigd. Uit de berichtgeving rond de oprichting valt op te maken dat men na deelgenomen te hebben aan het nazorgtraject, nog steeds problemen blijft ervaren.
Ik heb de Lotgenotengroep aangegeven wie als contactpersoon binnen mijn departement optreedt.
De Uitvoeringsorganisatie aan de Prinsengracht besteedt bij de verwijzing naar de huisarts veel aandacht aan de mogelijkheden voor de huisarts om verder door te verwijzen in verband met Post Traumatisch Stress syndroom (PTSS) en Lichamelijk Onverklaarbare Klachten (LOK). Ook in de bijscholing aan de huisarts heeft het onderwerp veel aandacht gekregen.

Er kunnen zich problemen voordoen indien de huisartsen het begeleidend schrijven bij het rapport over hun patiënt niet tot zich nemen. Ook kan het zijn dat de patiënt zelf niet voldoende aandringt om uitvoering te geven aan hetgeen in het rapport staat (ook de patiënt beschikt over het rapport). Ook huisartsen buiten de Bijlmermeer beschikken over deze informatie doch hebben niet de bijscholing gevolgd. In het begeleidend schrijven treffen zij het telefoonnummer aan, waar laagdrempelig de informatie over het onderzoek verkregen kan worden. Desgewenst kan de hulpverleners ondersteuning geboden worden.

Hier geeft de minister een belangrijk punt aan... Bij verwijzing worden Bijlmerslachtoffers gedeeltelijk doorverwezen voor behandeling van Lichamelijk Onverklaarbare Klachten (LOK). Deze behandeling bestaat uit het leren omgaan met de ervaren gezondheidsklachten en niet uit het uitzoeken van de oorzaak danwel het behandelen en genezen daarvan.
Wat betreft het begeleidend schrijven moet worden gesteld dat vele rapporten de huisarts niet hebben bereikt ofwel de patiënt niet hebben bereikt.

16.
Ongeveer circa 15% van de aanvragen voor het hulpfonds is afgewezen omdat ze te laat waren ingediend. Wat zijn de redenen dat ze te laat zijn ingediend en had hier niet meer soepelheid betracht kunnen worden? Nog eens 20% is niet gehonoreerd, wat zijn hiervan de redenen, is hier ook enige soepelheid betracht? Zijn bij de start van het fonds ook niet te hoge verwachtingen gewekt? (blz. 3).
16.
Ik stel voor om deze vragen te beantwoorden na een afrondend gesprek met het bestuur dat verantwoordelijk is geweest voor de uitvoering van de desbetreffende regeling.

17.
Kan worden nagegaan waarom vragen van de Klankbordgroep aan de begeleidingscommissie vaak pas na maanden en soms meer dan een jaar later werden beantwoord? (blz. 4).
17.
Voor zover ik heb kunnen nagaan betreft het hier een specifieke situatie, namelijk een discussie tussen begeleidingscommissie en klankbordgroep over de stralingscomponent van verarmd uranium. Er zat inderdaad een tijdspanne van een jaar tussen een eerste gedachtewisseling over dit onderwerp tussen begeleidingscommissie en klankbordgroep en het antwoord van de begeleidingscommissie. Dit werd echter veroorzaakt door de ingewikkeldheid van de materie en de uitgebreide discussies die in de begeleidingscommissie zelf hebben plaatsgevonden. Dit resulteerde in het in mijn voortgangsbrief genoemde voorstel om de zogenaamde FISH-test toe te passen in een wetenschappelijk onderzoek naar de eventuele effecten van de blootstelling aan verarmd uranium. De discussie met de klankbordgroep over dit voorstel was echter ten tijde van deze schriftelijke vragenronde nog niet afgerond.

Het betreft hier niet alleen een specifieke situatie inzake het onderzoek op Verarmd Uranium. Het betreft hier tevens vraagstellingen inzake het onderzoek op Mycoplasma alsmede uitvoering van het protocol. Vragen van de Klankbordgroep aan de begeleidingscommissie werden zelfs een periode beantwoord in de zin dat de begeleidingscommissie van mening was dat zij uitsluitend vragen van de minister behoefde te beantwoorden en derhalve niet met de Klankbordgroep behoefde te communiceren.

Voor wat betreft de Fish-test is de Klankbordgroep voorgelicht door de verantwoordelijke onderzoekers. Hierbij is de Klankbordgroep duidelijk gemaakt dat er met deze test geen bevestiging kom worden gegeven omtrent het vaststellen van besmetting met verarmd uranium. De enige vaststelling die kon worden gedaan was of er chromosomen waren beschadigd t.g.v. straling danwel een andere toxische belasting werd vastgesteld met een verschil van meer dan 3 Gray. Hierbij werd de kanttekening gemaakt dat slachtoffers die in het voorafgaande jaar enkele röntgenfoto's of andere stralingsonderzoeken hadden ondergaan moesten worden uitgesloten van het te houden onderzoek. Dit betekend in concreto dat alleen minder zieke, danwel nog redelijk gezonde slachtoffers die niet onder behandeling zijn geweest aan dit onderzoek kunnen deelnemen.

18.
Waaruit is de contrôlegroep voor de bewoners precies samengesteld? Is het uit te sluiten dat zij ook zijn blootgesteld? (blz. 5).
18.
De onderzoeksopzet is als volgt. Bewoners van de getroffen flats hebben een grote kans op een hoge blootstelling. Bewoners van de referentieflats Hoogoord, Daalwijk en Fleerde hebben daarentegen een grote kans op een minimale blootstelling, gezien de maximale afstand van hun flat ten op zichte van de rampflats. Bij beide groepen is het mogelijk dat individuen ten onrechte in de hoog, respectievelijk laag blootgestelde groep worden ingedeeld.
Bewoners van de rampflats kunnen bijvoorbeeld niet thuis geweest zijn ten tijde van de ramp, terwijl bewoners van de referentieflats op bezoek geweest kunnen zijn in een rampflat, ten tijde van de ramp. Vandaar dat er nog een derde groep is samengesteld, een steekproef uit de toenmalige bewoners van het gebied dat is omsloten door de A9, de gemeentegrens van Amsterdam, en de spoorlijn Amsterdam-Utrecht.
Van deze groep kan men verwachten dat de blootstelling gemiddeld genomen tussen de blootstellingniveaus van de bewoners van de rampflats en die van de bewoners van de referentieflats in zal zitten. Zodoende is er een driepuntsschaal van blootstelling ontstaan.
Alle drie de groepen hebben een maximale sociaal culturele en etnische vergelijkbaarheid.

Dit is pure misleiding die de minister tracht over te brengen d.m.v. Onvolledige en Onjuiste weergave van feiten.
Wanneer de minister spreekt van 3 controle groepen zou je deze als volgt moeten uitleggen...
Groep 1. De bewoners van de Rampflats Groeneveen en Kruitberg.
Groep 2. De bewoners van Kikkenstein op 100 meter dik in de rook.
Groep 3. De bewoners van Hoogoord en Fleerde op 500 meter afstand onder de rookkolom gelegen en Daalwijk waar de bewoners ten tijde van de vliegramp de kerosine van de balkons moesten dweilen. Deze laatste groep flats wordt niet ontsloten maar omsloten door de A9, gelegen op 400 meter van de rampflat en de spoorlijn gelegen op 700 meter van de rampflat.
Derhalve kan worden gesteld dat de contrôlegroep bestaat uit personen met een hoge danwel minder hoge blootstelling en niet zoals de minister in haar voortgangsbrief laat weten, niet blootgestelden.

19.
Is werkelijk ‘het maximale gedaan’ om een oplossing te vinden voor de contrôlegroep? Is het waar dat een gebied in Zuidoost, zuidelijk van de A9 bijvoorbeeld een zeer overeenkomstige bevolkingssamenstelling heeft zoals de klankbordgroep stelt? (blz. 5).
Met andere woorden is het mogelijk de contrôlegroep uit te breiden zonder afbreuk te doen op de vergelijkbaarheid met de onderzoeksgroep?
19.
Het antwoord hierop is tweeledig. De selectie van de contrôlegroep vindt plaats op basis van het adres van de bewoner tijdens de ramp in 1992. In 1992 werden de woonwijken ten zuiden van de A9 niet bewoond door voldoende vergelijkbare bevolkingsgroepen.
Anderzijds vormt de mogelijkheid van uitbreiding van de contrôlegroep geen oplossing voor het centrale probleem van de lage procentuele respons. Een procentueel te lage respons impliceert immers dat er mogelijk sprake is van selectieve deelname, waardoor de groep deelnemers niet meer representatief is voor de totale groep. Uitbreiding van de totale groep met een gelijkblijvende procentuele respons lost dit probleem niet op. Overigens beperkt het probleem van de te lage respons zich niet tot de contrôlegroep, maar speelt het ook in de groep van getroffenen.

Ook hier geeft de minister een onjuiste en onvolledige voorstelling van zaken weer.
De minister doet heer voorkomen dat het gedeelte van de Bijlmermeer dat wordt omsloten door de A9 slechts uit enkele flats bestaat terwijl hier in werkelijkheid 33 flatgebouwen staan, dus er was genoeg mogelijkheid tot uitbreiding van flats voor de controlegroep. Voor wat betreft het percentage van deelname verwijs ik U nogmaals naar ons commentaar op de vragen 1, 3 en 12.

20.
Een van de redenen tot niet-deelname zijn praktische belemmeringen zoals werk. Is overwogen de deelname van controlepersonen te stimuleren door een reële onkostenvergoeding? (blz. 5).
20.
Indien bedoeld wordt of er overwogen is om het opnemen van verlof geldelijk te compenseren, dan is het antwoord hierop nee. Bewoners ontvangen een onkostenvergoeding van f 50,-- en tickets voor openbaar vervoer.

De minister laat hier na te vermelden dat zij de contrôlegroep van de beroeps hulpverlening wel geldelijk en in verlof en in tijd en financieel compenseert. Daarbij hebben wij vernomen dat de deelnemers van de controlegroep slechts een compensatie ontvingen in de vorm van een boekenbon ter grootte van fl. 25,00 en niet van fl. 50,00 plus reiskosten.

21.
Wat is uw reactie op de uitlatingen van Stadsdeelvoorzitter Hannah Belliot dat de animo om deel te nemen gering is vanwege eerdere onderzoeken die niets hebben opgeleverd en door gebrek aan vertrouwen vanwege de vele afwijzingen voor het hulpfonds? (blz. 5).
21.
De animo onder de bewoners was mijns inziens niet gering, maar om een verantwoord wetenschappelijk onderzoek te kunnen uitvoeren lag de lat voor het aantal deelnemers erg hoog. Vanaf het begin was er twijfel over de kans van slagen om voldoende deelnemers te werven. Daarom is sterk ingezet op de werving van bewoners.
Ik kan mij voorstellen dat eerdere onderzoeken die in de ogen van bewoners niets hebben opgeleverd de vraag hebben doen rijzen of dit onderzoek dan wél iets zou opleveren.
Met name de stadsdeelraad Amsterdam Zuidoost heeft zich sterk gemaakt voor het ook starten van een epidemiologisch onderzoek onder bewoners omdat het toch als bijdrage gezien kan worden aan het wegnemen van onrust bij de bewoners. Daarom heb ik mij ook achter deze wens gesteld.
De relatie met het gebrek aan vertrouwen van bewoners vanwege de vele afwijzingen van het hulpfonds is voor mij onduidelijk. Ik ken dergelijke geluiden niet. Ik denk wel dat een groep bewoners via de aanvraag bij het hulpfonds gezocht hebben naar erkenning van hun leed. Ik kan mij voorstellen dat een afwijzing daarom hard aankomt en dat in een aantal gevallen het idee is postgevat dat de rijksoverheid wil ontkennen dat er nog steeds sprake is van veel leed als gevolg van de vliegtuigramp. Zoals uit mijn inspanningen moge blijken, is dit geenszins mijn intentie.

Hier antwoord de minister tegengesteld met de antwoorden van de vragen 3 en 19 en erkent zij dat de lat wel erg hoog lag en dat er vanaf het begin al twijfel was of het benodigde aantal contrôle personen wel haalbaar zou zijn.
Voor wat betreft de resultaten van het Hulpfonds is een relatie voor ons ook niet vreemd.
Bij aanvang van het Hulpfonds werd de voorlichting gegeven dat alle niet vergoedde kosten en schade zou worden gecompenseerd. Het resultaat was om te huilen.
Hier enkele ervaringen uit eigen kring:
-Een bedrijfsschade van fl. 950.000,00 plus een voorschot op opvang en begeleiding van slachtoffers van ruim fl. 50.000 gulden, bewezen middels verklaringen van deelraad en een belastingaccountants rapport werden gecompenseerd met een vergoeding van fl. 4000,00 met het commentaar dat dit toch wel een ruimhartige compensatie betrof.
-Een werknemer aan het rampgebied die ernstig ziek is geworden en een scholiere aan het rampgebied kregen geen compensatie voor het geleden psychische leed, omdat economische binding en school verplichting niet als reden kon worden gezien om zicht in de directe omgeving van het rampgebied op te houden.
-Een medische verklaring van een specialist en een huisarts dat iemand hartpatiënt is geworden t.g.v. de vliegramp en mogelijk een oorsprong kon zijn van de inmiddels ontstane longkanker werd niet als bewijs gezien en derhalve afgewezen.
Wanneer je deze zaken afzet tegen een afhandeling van andere rampen zoals Enschede en Volendam waar de vergoedingen vele malen hoger liggen maken de geloofwaardigheid van de overheid er niet groter op.
Wij zullen U ook niet onthouden van een ander voorbeeld van afhandeling door onze regering inzake deze ramp:
In reactie op een brief welke door ondergetekende is verstuurd aan de koningin voor hulp bij de schade welke was opgelopen door het redden van levens tijdens de vliegramp, werd ondergetekende teruggebeld door een nu beoogd nieuwe premier en lijsttrekker. In dit gesprek meldde deze dat ondergetekende niets had te zoeken op de rampplek en de mensen in hun woningen had moeten laten verbranden. Door deze mensen te gaan redden zou ondergetekende willens en wetens zijn eigen gezondheid in de waagschaal hebben gelegd en was hij hier derhalve zelf volledig voor de opgelopen schade aansprakelijk.
En dan nog durft de minister te stellen dat zij het wantrouwen niet kan begrijpen.

22.
Zijn er ook onderzoeksvragen die wel wetenschappelijk verantwoord te beantwoorden zijn met een lagere deelname van de onderzoeksgroep en zou dit door de EMGO-instituut kunnen worden nagegaan? (blz. 6).
22.
De respons-eis is gesteld om de kans op een selectieve non-respons te verkleinen. Bij een selectieve non-respons zou de betrouwbaarheid van de gevonden resultaten in het geding raken. Daarbij is niemand gebaat. De respons-eis is tot stand gekomen na uitvoerig overleg met zeer veel deskundigen in Nederland. De wetenschapscommissie van het EMGO-Instituut, de Medisch Ethische Commissie van het VU medisch centrum, de begeleidingscommissie van het MOVB, de commissie van Deskundigen die het schrijven van de onderzoeksprotocollen heeft begeleid, en het jaarlijkse epidemiologische congres in Nederland, konden zich allen vinden in de respons-eis. Deze eis geldt voor alle wetenschappelijk te beantwoorden vragen. Daarmee is de beantwoording van deelvragen niet mogelijk.

Er is echter nergens terug te vinden in de protocollen dat de contrôlegroep diende te bestaan uit alleen direct en indirect betrokkenen van de vliegramp.
De oud-directeur van de KLM-ARBO services meldde desgevraagd dat deze eis ook voor hem onbegrijpelijk was en pas na zijn aftreden moest zijn gewijzigd
Daarbij erkent de minister middels haar antwoord op vraag 19 dat de respons-eis in dit onderzoek wel erg hoog lag.

23.
Wat gebeurt er met reeds verzamelde gegevens voor het epidemiologische onderzoek, worden de genomen, maar nog niet geanalyseerde bloed- en urinemonsters wel of niet onderzocht? (blz. 6).
23.
Het EMGO-Instituut heeft aangegeven dat de respons van 70% voor alle deelvragen van het epidemiologisch onderzoek gelden. Het is daarom niet mogelijk om met behulp van de verzamelde bloed- en urinemonsters op wetenschappelijk verantwoorde wijze tot uitspraken te komen. Het is daarom niet zinvol om deze bloed- en urinemonsters nader te analyseren. Ten aanzien van de verzamelde bloed- en urinemonsters in het individueel medisch onderzoek houd ik de optie open om deze op individuele basis nader te onderzoeken op aspecten, die naar voren zouden kunnen komen uit het epidemiologisch onderzoek onder hulpverleners (zie ook vraag 26).

Zie in deze ons commentaar op vraag 11, dit zou derhalve een onderzoek worden met de vergelijking tussen appels en peren.

24.
Klopt het dat de begeleidingsgroep van de MOVB bij monde van dr. Woudenberg de bewoners heeft laten weten dat zij van het begin af aan op de hoogte waren dat Bijlmerbewoners, vrijwillige hulpverleners en beroepshulpverleners mogelijk gecontamineerd waren met verarmd uranium? (Nieuwe Gaasperdammer 4 juli 2001) Zo ja, hoe is dat te rijmen met eerdere conclusies dat het onwaarschijnlijk is dat omstanders en hulpverleners zijn blootgesteld aan significante stralingsrisico’s door verarmd uranium? (Blz. 6).
24.
De begeleidingscommissie heeft aangegeven dat tijdens de Parlementaire Enquête aan de orde is geweest dat er sprake was van verarmd uranium, maar tevens dat de blootstelling niet zodanig was dat er gezondheidsschade zou kunnen zijn opgelopen. De begeleidingscommissie heeft gemeend toch nader onderzoek te moeten doen naar de mogelijkheid om de verontruste bewoners tegemoet te komen in hun angst voor dergelijke schadelijke blootstelling. De begeleidingscommissie ziet de zogenaamde FISH-test als een nieuw middel om ook na zoveel jaar op groepsniveau iets over de mogelijke gevolgen van blootstelling aan verarmd uranium te zeggen.

De minister van Verkeer en Waterstaat mevr. Netelenbos heeft tijdens de nabeschouwingen van de parlementaire Enquête nogmaals ten sterkste weersproken dat er verarmd uranium was vrijgekomen in de Bijlmermeer.
Dr. Woudenberg heeft in een vergadering met de klankbordgroep op het stadsdeel Amsterdam Zuid-oost nadrukkelijk verklaard dat de begeleidingcommissie bij aanvang van de werkzaamheden niet beter wist dan dat de Bijlmer bevolking was gecontamineerd met vrijgekomen verarmd uranium. Dit standpunt werd onderstreept en bevestigd door de overig aanwezige leden van de begeleiding commissie.
De begeleidingscommissie heeft de zogenaamde FISH-test als een nieuw middel om ook na zoveel jaar op groepsniveau iets over de mogelijke gevolgen van blootstelling aan lichaamsvreemde stoffen te zeggen, maar plaatst direct de kanttekening dat deze test geen uitsluitsel kan geven over een besmetting met verarmd uranium. Daarbij is er geen behandeling mogelijk die wel mogelijk is bij het gewensde onderzoek van Dr. Durakovic.

25.
Is het u bekend dat mevrouw ML Tiesinga, voorzitter van de begeleidingscommissie in de media zegt dat het feit dat verarmd uranium is vrijgekomen niet hoeft te betekenen dat mensen daarmee besmet zijn geraakt en dat zij nu juist bezig zijn te onderzoeken? Zo ja, is dat niet misleidend nu u dit onderzoek reeds gestopt heeft? (6).
25.
Zij doelt hiermee op een mogelijk nader onderzoek met behulp van de hiervoor genoemde FISH-test. Over deze test heb ik u reeds geïnformeerd in mijn voortgangsbrief van 26 juni jl.. De begeleidingscommissie is van mening dat deze test voldoende valide uitspraken kan doen over mogelijk schade als gevolg aan de blootstelling aan uranium. Het betreft een onderzoek met alleen uitspraken op groepsniveau. De begeleidingscommissie stelt voor om een groep van 100 hoog blootgestelden te vergelijken met een controlegroep van 100 personen niet-blootgestelden.
Omdat echter de meningen onder experts over het nut van deze test verschillen, heeft de begeleidingscommissie de opdrachtgevers van het MOVB geadviseerd om na te gaan of de bewoners en hulpverleners vinden dat het onderzoek zal kunnen bijdragen aan geruststelling op dit punt. Aangezien de discussie hierover nog niet is afgerond, kan ik u nog niet melden of alle partijen het eens zijn over de zin van dit aanvullende epidemiologisch onderzoek. Ook de desbetreffende Medisch-ethische commissie zal zich over het onderzoek moeten buigen. Gezien de discussie over het nut van dit onderzoek is het voor mij nog niet zeker dat de commissie zal kunnen instemmen.

Ook hier misleid de minister de vragensteller. Op het moment van het interview is de Fisch test alleen nog maar een voorstel dat van alle kanten moet worden bestudeerd, bekeken en goedgekeurd moet worden.
Derhalve moet worden geconcludeerd dat hier werd verwezen (en zo is het ook opgevat en gelezen door de rampslachtoffers) naar het uranium onderzoek zoels omschreven in het fingerende protocol. Mevrouw ML Tiesinga stelt tijdens haar interview namelijk: "dat zij nu juist bezig zijn te onderzoeken".
Wat betreft de blootstellinggrens valt op te merken dat de minister al eerder heeft verklaard dat de groep hoog blootgestelden zou bestaan uit Brandweerlieden die in enigermate d.m.v. perslucht maskers waren beschermd en politiefunctionarissen welke in relatief mindere mate op het ramp terrein aanwezig zijn geweest en veelal een voorzorg aanmelding voor onderzoek hebben aangevraagd.

26.
Overwogen wordt om bloed en urine van bewoners die hebben deelgenomen aan het individuele onderzoek alsnog op o.a. uranium te onderzoeken, tenminste als het epidemiologisch onderzoek onder de hulpverleners daartoe aanleiding geeft. Is het wel juist zo’n beslissing van deze uitkomsten te laten afhangen aangezien juist de hulpverleners ook in enige mate beschermd waren? (blz. 6).
26.
Ik spreek nadrukkelijk over het openhouden van deze optie. De wenselijkheid van deze actie is nog onderwerp van gesprek tussen de opdrachtgevers. Daarom kan ik momenteel niet verder inhoudelijk op deze kwestie ingaan.

Hiermee ontkracht de minister haar antwoord op vraag 25 inzake de huidige uitvoering van het onderzoek naar verarmd uranium.

27.
In hoeverre kunnen de reeds gedane metingen van uranium e.d. bij de bewoners gebruikt worden om conclusies uit te trekken, al dan niet in combinatie met een FISH-test? (blz. 6).
27.
De verzamelde gegevens zijn niet bruikbaar omdat niet voldaan wordt aan de vereisten voor een epidemiologisch onderzoek (respons-eis). Zie voor een nadere toelichting de beantwoording van vraag 22. De FISH-test heeft een geheel eigen wetenschappelijke opzet en is daarom niet met andere gegevens te combineren. Voor de FISH-test: zie ook de beantwoording van vraag 25.

De minister draait hier om de vraag heen. Zij stelt namelijk dat de reeds bekende onderzoeksresultaten niet bruikbaar zijn voor uitspraken of slachtoffers daadwerkelijk zijn gecontamineerd met verarmd uranium. Deze stelling hangt zij op aan de klapstok respons-eis.
In werkelijkheid zou de minister best kunnen antwoorden op de vraagstelling, namelijk wanneer deze besmetting is aangetroffen (en daar lijkt haar antwoord op te wijzen, valt de conclusie te trekken dat enige of vele Bijlmer slachtoffers inderdaad een verarmd uranium besmetting hebben opgelopen. Een dergelijk resultaat is onafhankelijk van een respons-eis.
Dit zelfde geld voor overige aangetroffen (ziekte-)beelden die niet in overeenstemming zijn met de landelijke statistieken..., wanneer er een verhoging van bepaalde ziektebeelden wordt waargenomen t.o.v. de landelijke statistische gegevens, dan zou de minister op zijn minst naar die onderdelen een nader onderzoek kunnen laten instellen.
Bij huidige statistische onderzoeken naar Kanker, Bloedziekten, Bacteriële ziekten en virus infecties wordt ook niet gekeken naar een voldoende respons uit een exact gelijke gemeenschap.

28.
Wat zijn de gevolgen voor de bewoners van het niet doorgaan van het epidemiologisch onderzoek zowel wat betreft psychische als lichamelijke en financiële aspecten?
Bijvoorbeeld wat betreft aanspraken op schadevergoedingen en uitkeringen indien de oorzaak van de ziekte niet kan worden aangetoond? (blz. 6).
28.
Voor de gezondheid van de bewoners heeft het stopzetten van het epidemiologisch onderzoek geen directe consequenties. Iedereen met psychische en/of lichamelijke gezondheidsklachten, die behandelbaar zijn dan wel specifieke zorg vereisen, zal zich immers inmiddels tot de reguliere gezondheidszorg of het specifiek voor deze bewoners bedoelde nazorgtraject gewend hebben. Voor zover men deze hulp niet heeft gezocht, zou het epidemiologisch onderzoek eventuele belemmeringen om hulp te zoeken niet hebben kunnen wegnemen.
De uitkomsten van het onderzoek zouden geen invloed hebben gehad op het afhandelen van aanvragen van het hulpfonds gedupeerden Bijlmerramp. Het hulpfonds stelt namelijk niet als eis voor een uitkering dat de psychische problemen die men heeft, een wetenschappelijk aangetoonde relatie hebben met de vliegtuigramp.
In het algemeen geldt dat een epidemiologisch onderzoek is gericht op het wetenschappelijk aantonen van een relatie tussen een gebeurtenis en gezondheidseffecten en niet is gericht op het leveren van bewijs van een causaal verband tussen gebeurtenis en gezondheidseffecten in individuele situaties.

Ook hier antwoord de minister de kamer misleidend, Onjuist, Onvolledig en Onwaar.
Voor de gezondheid van de bewoners heeft het stopzetten van het epidemiologische deel van het onderzoek de consequentie dat zij meteen zijn uitbehandeld en dat er geen nader onderzoek wordt gedaan naar de gezondheidsklachten, alsmede de oorzaak daarvan.
In de behandeladviezen wordt immers met regelmaat het advies gegeven te wachten met nader onderzoek in afwachting van de resultaten van het epidemiologische deel van het onderzoek, daar deze bepalend zouden moeten zijn voor de richting van het vervolg onderzoek.
De Minister geeft hier inzake de financiële aspecten uitsluitend antwoord op de gang van zake in het kader van het Hulpfonds, echter ook hier zijn afwijzingen herroepen na het aantonen van (mogelijk) oorzakelijk verband welke werd vastgesteld bij het individuele Medisch onderzoek. De overige aspecten dat slachtoffers geen WAO uitkering krijgen omdat de oorzaak van hun ziekte niet is vastgesteld gaat de minister niet op in.
Het feit dat slachtoffers geen aanspraak kunnen maken op de normale sociale wetgeving en fondsen zoals de WVG, AWBZ, Thuiszorg, dieet kosten vergoeding, aftrek van kosten etc. etc. omdat de oorzaak van de ziekte niet is vastgesteld laat de minister in haar beantwoording zorgvuldig links liggen.
Dat slachtoffers hun ziektedagen niet door hun werkgever krijgen uitbetaald omdat er geen oorzaak van hun ziekte is vastgesteld vergeet de minister voor het gemak.
Dat slachtoffers de financiële schade van de vliegramp niet vergoed krijgen omdat er geen oorzaak van hun ziekte bekent is (denk hierbij aan verhaalschade) gaat de minister simpelweg aan voorbij.
Tenslotte stelt de minister doodleuk: "In het algemeen geldt dat een epidemiologisch onderzoek is gericht op het wetenschappelijk aantonen van een relatie tussen een gebeurtenis en gezondheidseffecten en niet is gericht op het leveren van bewijs van een causaal verband tussen gebeurtenis en gezondheidseffecten in individuele situaties.", hiermee implicerend dat slachtoffers zelf maar moeten zorgdragen voor het zorgdragen en leveren van het causaal verband tussen gebeurtenis en gezondheidseffecten. Door op deze wijze te reageren antwoord de minister regelrecht in strijd met het verdrag van de rechten van de mens, waarbij is vastgesteld dat een ieder recht heeft op gelijke behandeling en derhalve ook op de juiste medische behandeling.

29.
Wat is de reactie van de klankbordgroep en de bewoners op het stoppen van het epidemiologisch onderzoek? (blz. 6).
29.
De klankbordgroep bewoners was zeer verontrust en teleurgesteld over het niet doorgaan van het epidemiologisch onderzoek voor de bewoners, met uitzondering van enkele leden die vanaf het begin het niet eens waren met de opzet van het onderzoek. Ook uit reacties in de lokale media komt het beeld naar voren van een behoorlijke mate van ontevredenheid.
Overigens zijn er ook positieve geluiden over het individueel medisch onderzoek.
Ik heb begrip voor deze gevoelens, maar zie evenals de andere betrokkenen geen mogelijkheid om op dit punt een andere koers te varen.

30.
Wat zijn de voor en tegens van het toepassen van de Fish-test? Indien de klankbordgroepen u adviseren de Fish-test uit te voeren gaat u dat dan ook doen? (blz. 6).
30.
De discussie over de voor- en tegens is nog niet afgerond. Ik wacht eerst de definitieve uitkomst af, alvorens u verder te informeren over deze test. De vraag of de test bij een positief advies van de klankbordgroepen zal uitgevoerd worden, hangt niet alleen van mij af.
Zoals eerder gezegd zal de desbetreffende medisch ethische commissie zich een oordeel moeten vormen over de toelaatbaarheid van het onderzoek vanuit medisch-ethisch oogpunt.
Vervolgens zullen de opdrachtgevers van het medisch onderzoek Vliegramp Bijlmermeer gezamenlijk een besluit moeten nemen.

© Ministerie VWS, 29 Augustus 2001

Terug naar vorige pagina