Openbaar verhoor parlementaire enquêtecommissie

Vliegramp Bijlmermeer
Vrijdag 5 maart 1999

Verhoor 70

De heer R.M. Kurk


R.M. Kurk

Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de parlementaire enquêtecommissie Vliegramp Bijlmermeer op vrijdag 5 maart 1999 in de vergaderzaal van de Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag

Vrijdag 5 maart 1999

Aanvang 13.30 uur

Verhoord wordt de heer R.M. Kruk

Voorzitter: Th.A.M. Meijer

Aanwezig zijn voorts de leden van de commissie: Augusteijn-Esser, Van den Doel, Oedayraj Singh Varma en Oudkerk, alsmede de heer Roovers, griffier, en de heer Voerman, lid van de staf van de commissie.

De voorzitter: Ik heropen de vergadering van de enquêtecommissie Vliegramp Bijlmermeer.

Aan de orde is het verhoor van de heer R.M. Kurk, geboren op 12 september 1953 te Castro, Brazilië. Mijnheer Kurk, ik verzoek u te gaan staan voor het afleggen van de belofte.

De door u af te leggen belofte luidt: Ik beloof dat ik de gehele waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen.

De heer Kurk: Dat beloof ik.

De voorzitter: Mijnheer Kurk, de enquêtecommissie onderzoekt de toedracht en de gevolgen van de vliegramp op 4 oktober 1992 in de Bijlmer te Amsterdam, met als doel waarheidsvinding en het trekken van lessen voor de toekomst.

Mijnheer Kurk, is het correct dat u internist bent te Amstelveen en gespecialiseerd bent in het chronisch vermoeidheid syndroom?

De heer Kurk: Dat klopt.

De voorzitter: U heeft meer dan 60 Schipholmedewerkers met gezondheidsproblemen onderzocht. Is dat correct?

De heer Kurk: Dat is correct.

De voorzitter: Onder deze medewerkers bevindt zich o.a. de heer Van Os die ook voor onze commissie is verschenen.

De heer Kurk: In een artspatiëntenrelatie kan ik niet ingaan op het benoemen van individuele patiënten.

De voorzitter: Ik ben blij dat u op deze manier antwoord geeft aan de commissievoorzitter, mijnheer Kurk. Wij zullen misschien andere technieken moeten toepassen.

Kunt u ons iets vertellen over uw achtergrond?

De heer Kurk: Ik ben algemeen internist. Ik functioneer als internist in twee hoedanigheden: ik behandel patiënten en ik participeer in wetenschappelijk onderzoek naar het opsporen van oorzaken en het onderzoeken van behandelmethoden voor mensen met chronische vermoeidheidsklachten.

De voorzitter: Kunt u ons iets meer vertellen over uw deskundigheid ten aanzien van dat chronisch vermoeidheid syndroom? Wat moeten wij daaronder verstaan?

De heer Kurk: Bij dat wetenschappelijk onderzoek functioneer ik in een team met mensen van verschillend disciplines: biochemie, algemene artsen, neuropsychologische ondersteuning. Daarnaast is er een uitgebreide klinische ervaring. Het gaat daarbij om ongeveer 1500 patiënten met klachten van chronische vermoeidheid. Die zijn onderzocht en behandeld.

De voorzitter: Mag ik het als volgt omschrijven: het is puur patiëntenonderzoek en geen wetenschappelijk onderzoek?

De heer Kurk: De groep van 60 Schipholmedewerkers heb ik gezien als behandelend arts, niet als iemand die bij een groep mensen wetenschappelijk onderzoek heeft gedaan.

De voorzitter: Wij willen graag met u spreken over het onderzoek bij de Schipholmedewerkers en over het onderwerp mycoplasma.

De heer Oudkerk: Mijnheer Kurk, u werkt als vrij gevestigd internist in Amstelveen?

De heer Kurk: Ja, en in Amsterdam.

De heer Oudkerk: U ziet dus wel meer mensen in uw praktijk die op de een of andere wijze op Schiphol werken?

De heer Kurk: Dat is mogelijk. Dat staat niet op de voorgrond.

De heer Oudkerk: Hoeveel mensen heeft u gezien die op Schiphol werken en die zelf een relatie hebben gelegd met het werken in de befaamde hangaar 8?

De heer Kurk: Ongeveer 80 mensen. Na onderzoek zijn er uiteindelijk ongeveer 65 mensen overgebleven, waarbij geen sprake is van een duidelijke, aantoonbare verklaring voor de klachten.

De heer Oudkerk: Er hebben zich dus 80 mensen bij u gemeld, die op een of andere manier in hangar 8 gewerkt hebben? Hoe zijn zij bij u terechtgekomen?

De heer Kurk: Na verwijzing door de huisarts.

De heer Oudkerk: Heeft u geadverteerd of heeft u de huisartsen gebeld waardoor zij speciaal bij u terechtgekomen zijn?

De heer Kurk: Het is geleidelijk meer bekend geworden, mede door de onderlinge contacten van Schipholmedewerkers die gelijksoortige klachten hadden. Uiteindelijk zijn die mensen bij mij gekomen via hun huisarts.

De heer Oudkerk: Het gemeenschappelijk kenmerk van die Schipholmedewerkers is, dat zij allemaal op de een of andere wijze in hangaar 8 geweest zijn?

De heer Kurk: Dat is de relatie die de mensen zelf leggen.

De heer Oudkerk: Zij hebben in ieder geval aan u verklaard: ik ben ooit in die hangaar 8 geweest?

De heer Kurk: Ja.

De heer Oudkerk: Kunt u aangeven, wat de hoofdmoot van de klachten is waarmee deze patiënten bij u terecht zijn gekomen?

De heer Kurk: Allereerst intense vermoeidheid, zonder dat er verklarende omstandigheden zijn waardoor zij op enig moment vermoeid zijn geworden. Vervolgens klagen veel mensen over geheugen- en concentratieproblemen, waarvoor eigenlijk ook geen verklaring is. Dat gaat vaak gepaard met spier- en gewrichtsklachten, waarbij mensen niets aan die spieren of gewrichten zien en waarbij ook uit onderzoek geen verklaring tevoorschijn komt zoals bijvoorbeeld reumafactoren of wat dan ook.

De heer Oudkerk: Ik herhaal het even. Mensen zijn intens moe, hebben geheugenstoornissen of concentratieverlies en spier- en/of gewrichtsklachten.

De heer Kurk: Ja.

De heer Oudkerk: Is dat een patroon, of komt dat bij al die mensen voor?

De heer Kurk: Het komt bij al die mensen voor. Al die mensen zijn moe en meestal hebben zij die twee andere klachten ook.

De heer Oudkerk: Ik neem aan dat u allereerst een vraaggesprek met die mensen hebt gevoerd.

De heer Kurk: Dat klopt.

De heer Oudkerk: Wat heeft u daarna gedaan?

De heer Kurk: Volgens het gebruik van een internist die iemand voor het eerst ziet, heb ik die mensen lichamelijk nagekeken.

De heer Oudkerk: Wat houdt dat in?

De heer Kurk: Je vormt je eerst een indruk van iemand: ziek of niet ziek, dik of dun, et cetera, huid, bloeddruk, pols, hoofd-/halsgebied, hart/longen beluisteren en bekloppen, buikorganen, reflexen, slagaders, armen en benen, rug, spiertonus. Dat is het.

De heer Oudkerk: Al die mensen heeft u min of meer volgens ditzelfde patroon onderzocht?

De heer Kurk: Ja, zonder uitzondering.

De heer Oudkerk: Wat was de uitslag van dat lichamelijk onderzoek bij die mensen?

De heer Kurk: Bij het overgrote deel was er geen enkele medische afwijking. Natuurlijk was er een enkele uitzondering. Het gebeurt altijd wel dat je bij toeval iets vindt als je een aantal mensen gepresenteerd krijgt. Maar bij het lichamelijk onderzoek was er eigenlijk geen sprake van afwijkingen.

De heer Oudkerk: Bij lichamelijk onderzoek geen afwijkingen.

De heer Kurk: Dat klopt.

De heer Oudkerk: U bent vast verder gaan onderzoeken?

De heer Kurk: Op grond van de klachten is aanvullend onderzoek afgesproken, aangepast aan de klachten van het individu. Daar komt natuurlijk wel een rode draad uit. Er is gekeken of de oorzaak lag in orgaan-ziekten, virusinfecties, enzovoorts. Daaruit is bij die mensen geen verklaring voor hun klachten naar voren gekomen.

De heer Oudkerk: U zoekt dan nog verder?

De heer Kurk: Ja. Die mensen hebben reeds langere tijd klachten, gemiddeld 3,5 jaar. Er is sprake van een ruime spreiding. Sommige mensen hebben reeds vijf jaar klachten, anderen één jaar, gemiddeld is het echter 3,5 jaar. Op het moment dat mensen 3,5 jaar klachten hebben en er in medische zin elders geen verklaring vinden voor hun klachten, is het ook bij zo'n onderzoek uitermate onwaarschijnlijk. Zou men een aandoening hebben gehad, dan is die meestal over of zou tussentijds een hele vervelende ziekte naar voren zijn gekomen. Dat is bij die mensen niet gebeurd. Dan moet je denken aan wat meer bijzondere bepalingen. Dat betreft stoffen die vaak niet voldoende aanwezig zijn bij mensen die chronisch vermoeid zijn, zonder dat zij op Schiphol zijn geweest; stoffen die een functie hebben in de energiehuishouding van cellen.

De heer Oudkerk: Dat is een speciaal soort laboratoriumonderzoek?

De heer Kurk: Ja, er zijn maar een paar plaatsen in Nederland waar dat bepaald wordt. Je kunt er onderzoek naar doen. Daar krijgt je dan getallen uit.

De heer Oudkerk: Even voor de duidelijkheid. U doet dus een algemeen lichamelijk onderzoek bij die mensen. Vervolgens doet u laboratoriumonderzoek naar de gewone dingen, en, wanneer u nog steeds niets vindt, doet u een speciaal onderzoek dat slechts op enkele plekken in Nederland gedaan kan worden. Waar gaat het dan precies om?

De heer Kurk: Dan gaat het om carnitine.

De heer Oudkerk: Carnitine?

De heer Kurk: Dat een aminozuur. Die stof heeft een transportfunctie: een aantal stoffen uit bloed de cel in. Als een cel uitgeput is, moet die namelijk weer voldoende voorzien worden van bouwstoffen waardoor die zijn werk weer kan doen.

De heer Oudkerk: Brandstof zou je dus kunnen zeggen?

De heer Kurk: Als wij spreken over onderzoek naar het bestaan van orgaanziekten en wij zouden organen vergelijken met onderdelen van een motor, dan kijken wij welke onderdelen er stuk gaan. Bij dit soort stoffen kijk je eigenlijk naar de benzinetoevoer en de bedrading van de motoronderdelen.

De heer Oudkerk: Dat is in ieder geval heel helder. Laat ik maar even bij de benzine en de bedrading blijven, heeft u al die mensen hierop laten prikken?

De heer Kurk: Mensen met een virusinfectie of orgaanziekte vielen natuurlijk af. Dan is er immers een duidelijke verklaring en kun je aangeven, wanneer het over is of hoe het verder verloopt. Bij de overgebleven mensen viel op dat de waarden te laag zijn. Dat blijkt ook uit de literatuur waarbij mensen met chronische vermoeidheidsklachten op die stoffen vergeleken zijn met gezonde controlegroepen. Het gaat daarbij om ongeveer zeven studies.

De heer Oudkerk: Ik begrijp dus dat bij al die mensen, met uitzondering van diegenen die zijn afgevallen omdat zij een virusinfectie hadden of iets anders wat hun klacht kon verklaren, een verlaagd carnitine in het bloed is gevonden. Dat is weer vergelijkbaar met een verlaagd carnitine in het bloed zoals je dat aantreft bij het chronisch vermoeidheid syndroom.

De heer Kurk: En dan een bijzondere vorm van carnitine, de gebonden vorm en dat heet acetyl-carnitine.

De heer Oudkerk: Bent u op grond van uw onderzoeken bij deze groep van iets meer dan 60 mensen tot een diagnose gekomen?

De heer Kurk: De diagnose is een chronisch vermoeidheid syndroom. Er is dus een combinatie van klachten. Dat zijn symptomen. Die voeg je samen tot een syndroom. Bij uitsluiting van bekende orgaanziekten en virusinfecties en omdat het om een chronische vermoeidheidsklachten gaat, wordt dat genoemd ''chronisch vermoeidheid syndroom'', met als bijkomende diagnose een verlaagde acetyl-carnitine waarde.

De heer Oudkerk: Hoe vaak komt het chronisch vermoeidheid syndroom in Nederland voor?

De heer Kurk: Dat is niet zo goed bekend. Er zijn getallen dat er zo'n 20.000 - 30.000 mensen chronisch vermoeid zijn. Dat gaf ook te denken in relatie tot de Schipholpopulatie; 20.000-30.000 mensen verdeeld over een populatie van 15 mln., dan zul je per woonwijk relatief weinig mensen aantreffen met chronische vermoeidheidsklachten. Vind je dan in een kleine regio zo'n groot aantal, dan roept dat vragen op.

De heer Oudkerk: Als ik kijk naar de klachten intens moe, geheugen- en concentratiestoornissen, dan kom ik dicht in de buurt van een verklaring die hier gistermiddag is afgelegd door professor Gersons, psychiater op het AMC. Die heeft verklaard dat deze twee klachten heel goed kunnen passen bij een posttraumatisch stresssyndroom.

De heer Kurk: Deze mensen hebben zo'n trauma niet meegemaakt.

De heer Oudkerk: Deze mensen hebben zo'n trauma niet meegemaakt.

De heer Kurk: Als je kijkt naar chronische vermoeidheidsklachten en die relateert aan makkelijk te objectiveren aandoeningen is moeheid vaak een hoofdklacht in dat geheel. In die zin is de gezondheidszorg verdeeld in een aantal vakjes. Dat is ook nodig, want er komt zoveel informatie op je af. Er zijn steeds raakgebieden. Professor Gersons zei gisteren: lichaam en geest kun je niet scheiden.

Ook op het vakgebied van orgaandokters komen veel mensen voor met dit soort klachten die in eerste instantie niet van elkaar te onderscheiden zijn. Als wij het hebben over psychologische en psychiatrische fenomenen – zo worden mensen met chronische vermoeidheid vaak getypeerd – is de insteek van de kant van orgaandokters met bijzondere belangstelling voor chronische vermoeidheid, dat de verbinding tussen hersenen en bijnier veel belangrijker is in de productie van adrenaline en cortizol; kortom allemaal stoffen die belangrijk zijn op het moment dat iemand zich moet inspannen. In adequate dosering zorgen die stoffen ervoor dat men die inspanning fysiek en mentaal kan leveren. Als dat niet goed werkt, kan dat lichamelijke klachten veroorzaken maar ook mentaal gerichte klachten, zoals het zich niet goed kunnen concentreren of dingen vergeten. Er zitten hele duidelijke raakvlakken.

De heer Oudkerk: Om even terug te grijpen op het posttraumatisch stresssyndroom, die meer dan 60 mensen die u in uw praktijk gezien heeft, hebben niet de ramp in de Bijlmer meegemaakt. Het zijn Schipholmedewerkers, die als gemeenschappelijk kenmerk hebben – althans dat is u verteld – dat zij op een of andere wijze in hangaar 8 geweest zijn.

De heer Kurk: Dat klopt.

De heer Oudkerk: Maar je kunt natuurlijk ook een ander trauma meegemaakt hebben, waardoor je een posttraumatisch stresssyndroom hebt gekregen. Heeft u die mensen daarop doorgevraagd?

De heer Kurk: Ja, ik heb die mensen daarop doorgevraagd. Ik heb de werkomstandigheden besproken. Omdat die mensen dat verband leggen, is gevraagd, hoe lang zij in die hangaar zijn geweest. Er is gevraagd, of in de loop van de tijd de werkdruk is opgelopen. Er is gevraagd, of er sprake was van privéproblemen. Kortom, omstandigheden waarin mensen verkeren, zijn doorgesproken.

De heer Oudkerk: Heeft u naar aanleiding van vraaggesprekken met die mensen nog doorverwijzingen gesuggereerd naar collega-psychiaters of psychologen?

De heer Kurk: In uitzondering.

De heer Oudkerk: In uitzondering?

De heer Kurk: Ik ben uitdrukkelijk geen psycholoog of psychiater, maar ik moet als internist wel kunnen beoordelen of ik iemand moet doorverwijzen. Mijn oordeel was dat een doorverwijzing niet aan de orde was. Ook bij de desbetreffende huisartsen is het nooit het idee geweest dat zo te doen.

De heer Oudkerk: U durft hier de stelling aan, dat bij die meer dan 60 mensen de posttraumatische stress uiteindelijk niet de oorzaak is geweest van het klachtenpatroon van die mensen.

De heer Kurk: Ik ben geen deskundige op het gebied van posttraumatische stress. In vraaggesprekken is niet naar voren gekomen dat dit soort factoren van overmatige stress een rol hebben gespeeld.

De heer Oudkerk: Goed, dan ga ik met u naar de oorzaken van het chronisch vermoeidheid syndroom, tenminste als deze bekend zijn. Wat kunnen die oorzaken zijn?

De heer Kurk: Uit mijn eigen praktijk en onderzoek is gebleken, dat het gaat om zo'n 8 à 9 groeperingen van mensen die na verschillende gebeurtenissen – virusinfectie, zwangerschap, mogelijk in relatie tot werkomstandigheden, zeer hoge werkdruk – vermoeid bleven terwijl de factoren waardoor de klachten werden veroorzaakt, verdwenen waren. Die vermoeidheid gaat jaar in jaar uit door en trekt niet bij.

De heer Oudkerk: Probeert u voor mij helder te maken, wat precies de oorzaken kunnen zijn van chronische moeheid.

De heer Kurk: De oorzaak van chronische moeheid is niet bekend. Daarnaar is allerlei onderzoek gaande. Als je echter luistert naar de klachten van mensen, zou je kunnen zeggen dat mensen op de een of andere manier stressprikkels voor hun lichaam hebben ondervonden. Dat kunnen stressprikkels zijn in biochemische zin, in virale zin, alles wat iemand ziek zou kunnen maken. Wij zien dan dat de klachten van vermoeidheid blijven, terwijl de aandoening waarover gesproken wordt of het probleem verdwenen is. Het is eigenlijk een onaangepaste reactie op omstandigheden die weer genormaliseerd zijn. Dat vindt er in feite plaats.

De heer Oudkerk: Mijnheer Kurk, ik vraag u dat, omdat u in een schrijven aan de enquêtecommissie naar aanleiding van ons verzoek om inlichtingen over klachten van die groep mensen waarover wij nu spreken, op de laatste bladzijde nogal helder stelt en ik citeer: ''Chronische moeheid kan o.m. ontstaan na langdurige virusinfecties, kwaadaardige aandoeningen, grote chirurgische ingrepen, langdurige mentale stress of contact met giftige stoffen.'' Ik wil ze even afvinken. Langdurige virusinfecties zijn bij deze mensen uitgesloten?

De heer Kurk: Op het moment dat zij zich bij mij melden met klachten, zijn deze door mij uitgesloten voor zover ik kan bepalen dat daarvan geen sprake is.

De heer Oudkerk: Kwaadaardige aandoeningen?

De heer Kurk: Niet aanwezig.

De heer Oudkerk: Niet aanwezig, uitgesloten. Grote chirurgische ingrepen?

De heer Kurk: Niet aanwezig, althans niet op dat moment.

De heer Oudkerk: Langdurige mentale stress? U vertelde net al iets over die arbeidsomstandigheden.

De heer Kurk: Nee, niet aanwezig.

De heer Oudkerk: Contact met giftige stoffen?

De heer Kurk: Weet ik niet.

De heer Oudkerk: Dan kom ik natuurlijk aan de belangrijkste vraag, want daar gaat het om. Is er naar uw mening een relatie te leggen tussen de wrakstukken in hangaar 8, de aanwezigheid van deze groep mensen in die hangaar 8 en hun gezondheidsklachten?

De heer Kurk: Ik kan dat niet met zekerheid zeggen. Ik moet proberen in logisch verband te denken. Zou er bijvoorbeeld een relatie kunnen zijn tussen de duur dat mensen in hangaar 8 zijn geweest? Verder gaat het om de ernst van de klachten en wanneer die klachten zijn ontstaan. Er komt bij mij geen enkele correlatie naar voren. Er zijn mensen, die aangeven er twee uur geweest zijn en drie jaar nadien klachten krijgen. Er zijn mensen die daar veel meer uren zijn geweest en nauwelijks klachten hebben. Er is een enorme spreiding. Er komt niet naar voren, dat, naarmate iemand daar langer is geweest, hij sneller of indringender klachten krijgt.

De heer Oudkerk: Is het naar uw deskundigheid bij het chronisch vermoeidheid syndroom en de rol van toxische stoffen daarin, zo, dat er een relatie moet bestaan tussen de duur en de intensiteit van de aanraking met die stoffen?

De heer Kurk: Dat is eigenlijk onbekend. Ik denk dat meer mensen daarover een oordeel zouden moeten geven. Het gaat om de variëteit van stoffen. Wat kunnen ze aanrichten? Je kunt van alles ruiken en dat kan geen enkel kwaad doen en je kunt niets ruiken en dat kan dodelijk zijn.

De heer Oudkerk: Zou u toxische stoffen kunnen noemen, waarvan in de literatuur bekend is of waarvan zelfs is bewezen dat zij aanleiding kunnen geven tot het chronisch vermoeidheid syndroom?

De heer Kurk: Nee, dat kan ik niet exact zeggen. De oorzaak van het chronisch vermoeidheid syndroom is onbekend. Vandaar dat het ook een syndroom heet. Waar je dan aan relateert, is het feit dat mensen na bepaalde gebeurtenissen, contacten of ziekten moe zijn gebleven. Dat veronderstelt een relatie. Als je kijkt naar de klachten, zijn deze samen te vatten onder de noemer dat aanpassingsmechanismen van het lichaam falen. De klachten die zij vertonen, zijn eigenlijk voor al die groepen uniform en niet direct herleidbaar tot wat er voorafgaand aan gebeurd is. Je hebt als mens tal van aanpassingsmechanismen. Als de omstandigheden veranderen, moeten de aanpassingsmechanismen ervoor zorgen dat je daarmee adequaat kunt omgaan. Bij chronische vermoeidheid gebeurt dat óf te weinig óf te veel. Het is niet meer aangepast aan de omstandigheden waarin mensen verkeren.

De heer Oudkerk: Als ik een lijstje met toxische stoffen noem, zou u niet kunnen zeggen of dat wel of niet een relatie heeft met het chronisch vermoeidheid syndroom?

De heer Kurk: Het is wel een overweging geweest. Als mensen zo lang klachten hebben, waarmee zouden zij dan in contact zijn gekomen? Maar ook mensen die het zouden kunnen beoordelen, is niet opgevallen waaraan expliciet gedacht zou moeten worden. Er gebeuren ook geen calamiteiten. Als er sprake zou zijn van een gevaarlijke lading die lekt, zou dat op korte termijn ernstige gevolgen hebben. Hier is echter veel meer sprake van een verspreid beeld dat heel geleidelijk ontstaat en daardoor ook moeilijker te interpreteren is.

De heer Oudkerk: Blijkt uit de literatuur dat verarmd uranium in stofdeeltjes leidt tot het chronisch vermoeidheid syndroom?

De heer Kurk: Er zijn verschillende dingen waarin gerelateerd wordt aan de dosering. Word je in hoge mate bestraald à la Tsjernobyl...

De heer Oudkerk: Daar hebben wij het niet over.

De heer Kurk: Naarmate die dosering lager wordt, wordt het steeds moeilijker aan te geven, wat er zou moeten gebeuren en met name op de lange termijn.

De heer Oudkerk: Is dat chronisch vermoeidheid syndroom nog een duister gebied?

De heer Kurk: Het chronisch vermoeidheid syndroom is een duister gebied. Mensen geven klachten aan omdat zij links en rechts hulp hebben ingeroepen maar geen verklaring voor hun klacht hebben gevonden. Ik zie dan een geselecteerd gezelschap dat vaak vijf à zes dokters heeft geraadpleegd. Ondertussen zijn de mensen zélf op zoek gegaan naar een verklaring. Zij nemen ook vaak een diagnose mee en zeggen: Ik denk dat het daarmee verband houdt.

Ik moet dan eigenlijk die diagnose stellen c.q. uitsluiten. Daar kom ik in de problemen.

De heer Oudkerk: Mijnheer Kurk, u heeft 80 mensen op uw spreekuur gehad. Weet u, of deze 80 mensen zich ook gemeld hebben bij het AMC voor het onderzoek?

De heer Kurk: Een deel daarvan zeker. Als mij de vraag wordt voorgelegd of men zich bij het AMC moet aanmelden, is mijn antwoord: dat moet je zeker doen. Het is goed als een probleem benaderd wordt vanuit verschillende invalshoeken en in een grote context. Ik ben behandelend arts en kijk naar elk individu. Het gaat hier om groepen. Ik heb ook te maken gekregen met een geselecteerd gezelschap. Ik heb bijvoorbeeld geen controlegroep.

De heer Oudkerk: U zou eigenlijk wel een controlegroep moeten hebben?

De heer Kurk: Als je het probleem volledig wilt inventariseren, zijn er beperkingen. Ik kijk naar individuen die uit eigen beweging een afspraak maken op mijn spreekuur.

De heer Oudkerk: Dat begrijp ik. U doet lichamelijk onderzoek en laboratorium onderzoek bij een aantal mensen. Het AMC heeft een week of drie geleden laten weten dat zij daarin, althans gegeven de huidige omstandigheden, geen brood ziet. Toch heeft een groot aantal mensen zich ook voor het AMC-onderzoek gemeld. Is er tussen u en het AMC het afgelopen halfjaar contact geweest over enerzijds het onderzoek dat u deed en anderzijds het onderzoek van het AMC?

De heer Kurk: Nee, dat is er niet geweest.

De heer Oudkerk: Heeft u het AMC niet gebeld?

De heer Kurk: Nee, dat heb ik niet gedaan.

De heer Oudkerk: Hebben de onderzoekers van het AMC u gebeld?

De heer Kurk: Zij hebben mij niet gebeld.

De heer Oudkerk: Dat bevreemdt mij een beetje. Wij hebben namelijk notulen van de begeleidingscommissie van het AMC-onderzoek, waarin de resultaten van uw bevindingen wel besproken worden.

De heer Kurk: Dat is een nieuw feit voor mij.

De heer Oudkerk: U bent daarover niet geconsulteerd?

De heer Kurk: Nee.

De heer Oudkerk: Het was natuurlijk geen geheim, want u bent ook in de kranten verschenen met dit onderzoek. Maar er is geen persoonlijk contact met u geweest?

De heer Kurk: Nee, er is geen persoonlijk contact geweest.

De heer Oudkerk: Zijn door het AMC resultaten opgevraagd, bijvoorbeeld laboratoriumuitslagen of uitslagen van lichamelijk onderzoek, of andere uitslagen ten aanzien van deze patiënten?

De heer Kurk: Nee, dat heeft niet plaatsgevonden.

Mevrouw Oedayraj Singh Varma: Mijnheer Kurk, ik wil onder andere met u spreken over het mycoplasma. Heeft u ooit een relatie gelegd tussen de klachten van de medewerkers van Schiphol en het Golfoorlogsyndroom?

De heer Kurk: Nee. Sommige patiënten hebben bijvoorbeeld via Internet informatie opgevraagd in een poging hun klachten te verklaren. Zij zagen wel overeenkomsten tussen de klachten. Dat geldt ook ten aanzien van informatie dat uranium of toxische stoffen tot dit soort klachten zouden leiden. In die context is het naar voren gebracht.

Mevrouw Oedayraj Singh Varma: U heeft zelf niet met uw patiënten hierover gesproken en gezegd dat er een relatie zou kunnen zijn?

De heer Kurk: Vrij recent hebben diverse patiënten mij gevraagd, of mycoplasma de klachten mogelijk verklaart.

Mevrouw Oedayraj Singh Varma: Wij hebben in het openbaar een van uw patiënten verhoord. Ik ga daarop niet uitgebreid in, maar citeer slechts wat hij heeft gezegd: ''Op een gegeven moment zei dokter Kurk, wel, ik kan je het drankje blijven geven, maar ik weet niet waarvan het komt. Hij zei: Het lijkt op het Golfoorlogsyndroom.'' Herkent u dat?

De heer Kurk: Het is niet zo, dat ik dan entameer: je zult waarschijnlijk het Golfoorlogsyndroom hebben. Ik heb al eerder toegelicht dat het gaat om algemene verschijnselen van chronische vermoeidheid. Die kan door verschillende oorzaken ontstaan. Er zijn ook patiënten met klachten die zelf zoeken naar een oplossing en dus ook relaties leggen. Dan kunnen dergelijke dingen ter sprake komen. Het is echter niet primair van mij uitgegaan dat men sterk moet denken aan het Golfoorlogsyndroom en dan de oorzaak en de behandelmethodiek te pakken hebt. Dat is zeker niet zo.

Mevrouw Oedayraj Singh Varma: Heeft u ook de aanwezigheid van mycoplasma onderzocht?

De heer Kurk: Binnen de context van de laboratoriumfaciliteiten kan dat alleen op indicatie worden onderzocht. Je hebt de huis-, tuin- en keukenmycoplasma. Daar kan iedereen tegen aanlopen. Dat kan een infectieziekte veroorzaken. Als je kijkt naar mensen die lijden aan chronische vermoeidheid, zie je dat deze mensen van de ene infectie in de andere vallen. Daarvan zijn ook referenties in de literatuur. Men heeft mensen met chronische vermoeidheid vergeleken met gezonde mensen op het voorkomen van mycoplasma. Bij het chronisch vermoeidheid syndroom is dat méér. Ik spreek dan nog steeds over het huis-, tuin- en keukenmycoplasma.

Mevrouw Oedayraj Singh Varma: Heeft u in uw patiëntenkring ook de diagnose gesteld van mycoplasma?

De heer Kurk: Een enkele keer als er klachten zijn. Voor mycoplasma zijn specifieke kenmerken: infectie, bepaalde bevindingen van het laboratorium en soms kan het nodig zijn om een micro-organisme te definiëren, bijvoorbeeld in de keuze hoe je die moet behandelen.

Als je bij mensen met klachten van chronische vermoeidheid behandeling hebt ingesteld en het gaat beter, kan er een terugval optreden onder invloed van voor het lichaam belastende factoren waarvan infectieziekte er één kan zijn.

Mevrouw Oedayraj Singh Varma: Dan hebben wij het over huis-, tuin- en keukenmycoplasma?

De heer Kurk: Uitdrukkelijk ja.

Mevrouw Oedayraj Singh Varma: Kunt u even aangeven wat huis-, tuin- en keukenmycoplasma is?

De heer Kurk: Het betreft een micro-organisme tussen bacterie en virus in. Dan kan iedereen oplopen. Daardoor krijgt men een infectieziekte, bijvoorbeeld luchtwegproblemen of longontsteking.

Mevrouw Oedayraj Singh Varma: In de media is de afgelopen tijd uitgebreid aandacht besteed aan professor Nicolson en het genetisch gemanipuleerd mycoplasma. Het wordt als bron genoemd voor het ''Bijlmersyndroom''. U bent daarmee bekend, neem ik aan?

De heer Kurk: Ja, daarmee ben ik bekend.

Mevrouw Oedayraj Singh Varma: Wat is uw mening hierover?

De heer Kurk: Mijnheer Nicolson zegt over specifieke deskundigheid te beschikken om dat micro-organisme vast te stellen in relatie tot militairen die vermoeid uit Irak zijn teruggekomen. Hij geeft aan, dat het besmettelijk is en dat het bijzondere aan dat micro-organisme is, dat het gemoduleerd of bewerkt is met een aantal aidscomponenten. Daardoor heeft dat micro-organisme het specifieke kenmerk dat het beter doordringbaar is in de cel. Hij geeft aan dat hij eigenlijk het patent heeft op de bepaling daarvan. Ik kan als internist biochemisch die methodiek niet beoordelen. Als patiënten die klachten hebben dit aangeven als een mogelijke oorzaak, kan ik er niet zoveel mee. Ik moet daarbij uitgaan van heel veel aannames: verborgen lading, een vuurzee waarin zo'n micro-organisme overleeft, wrakstukken uit die vuurzee die naar de hangaar gebracht worden en zouden mensen dat oplopen. Dat zijn veel aannames en onzekerheden.

De bepaling wordt door één professor gepatenteerd. In de medische wereld geldt dat een bevinding keer op keer bevestigd moet worden. Ik kan dus een patiënt heel weinig zekerheden bieden door het geven van een bevestigend antwoord. Ik ben van mening dat het nog erg speculatief is.

Mevrouw Oedayraj Singh Varma: Het is dus één persoon die ermee bezig is? U spreekt over ''erg speculatief''.

De heer Kurk: Ik geef u de overwegingen. Er zijn heel veel onzekerheden, terwijl een patiënt met een bepaalde klacht mij juist vraagt zekerheid daarover te geven. Dat kan ik niet.

Mevrouw Oedayraj Singh Varma: Dat kunt u niet. En u kunt ook niet zeggen dat het een relatie heeft met de Bijlmerramp?

De heer Kurk: Nee, ik denk dat het zeer speculatief is.

Mevrouw Oedayraj Singh Varma: De heer Nicolson legt die relatie wél. Hij legt die relatie in verband met de toxische stoffen die in het vliegtuig hebben gezeten.

De heer Kurk: Daarover kan ik geen zekerheid geven. Ik heb mensen met klachten gezien. In een zoektocht naar de oorzaak van hun klachten worden allerlei veronderstellingen geuit. Mycoplasma is er één van, uranium is als zodanig besproken en dat geldt ook voor toxische stoffen. De vraag is echter, of je daadwerkelijk kunt aantonen dat het een oorzaak is. En daar heb je een probleem.

Mevrouw Oedayraj Singh Varma: Maar wat vindt u zelf van die diagnose van professor Nicolson inzake het genetisch gemanipuleerd mycoplasma?

De heer Kurk: Zoals ik reeds heb gezegd, is het in de medische wereld gebruikelijk dat zaken keer op keer bevestigd worden voordat je verantwoord tot bepaalde dingen kunt komen.

Als ik bloedonderzoek aanvraag in Nederland, kan ik er blindelings op vertrouwen dat de uitslag getoetst is. Nu zou ik als behandelend arts – dat is mijn competentie – een oordeel moeten vormen over de techniek van een bepaling. Daarvan heb ik helemaal geen verstand. Een uitspraak in dezen moet niet van mijn kant komen maar van mensen die daar verstand van hebben.

Mevrouw Oedayraj Singh Varma: Is er kennis over het genetisch gemanipuleerd mycoplasma hier in Nederland?

De heer Kurk: Naar mijn weten niet. Ik heb dat niet uitgebreid geïnformeerd. Het punt is, dat er een diagnose op tafel gelegd wordt. Je zit in een situatie met tal van mogelijkheden en veronderstellingen. Daarbij komen elementen aan de orde die ik met mijn achtergrond niet kan beoordelen. Mensen van verschillende kunnen zouden zich daarover moeten buigen.

Mevrouw Oedayraj Singh Varma: Een heleboel mensen zijn ziek. Het is dus logisch en begrijpelijk dat zij zoeken naar behandelingsmethoden, et cetera. Nu gaan zij allemaal naar Amerika naar die dokter Nicolson. Wat vindt u daarvan?

De heer Kurk: Als je klachten van mensen serieus neemt, daarop ingaat, de oorzaak probeert te detecteren en kijkt waar je klachten kunt behandelen, ben ik van oordeel dat dit in Nederland moet gebeuren. Het is natuurlijk een rare situatie dat mensen stad en land aflopen om van hun klachten af te komen en daardoor op kosten gejaagd worden. Ik vind dat zeer onwenselijk. Links en rechts bestaat immers know how. De klachten worden serieus genomen. Die mensen moeten van die gezondheidszorg in Nederland kunnen profiteren.

Mevrouw Oedayraj Singh Varma: U zegt dus, dat de mensen hun heil elders gaan zoeken omdat zij niet serieus genomen worden. Hoe wilt u dat de mensen hier in Nederland serieus genomen worden? Ik bedoel dan de slachtoffers van de Bijlmer, de hulpverleners en de mensen van hangaar 8. Hoe zou u een hulpaanbod in Nederland willen zien?

De heer Kurk: Het zit naar mijn mening op een heel basaal niveau. Het gaat om het inventariseren van klachten vanuit de achtergrond van behandelend arts waarvoor elke patiënt er één is.

Ik heb klachten behandeld. Ik weet niet wat de oorzaak is. Er zijn potentiële oorzaken naar voren gebracht. Door mensen van verschillend kunnen moet daarover nagedacht worden. Ik heb begrepen dat er nu een multidisciplinaire groep van deskundigen gevormd wordt via de ARBO op Schiphol om zicht te krijgen op die klachten. Ik loop daarop niet vooruit. Het is niet mijn deskundigheid. Het is een goede zaak dat er een dergelijke groep komt.

Mevrouw Oedayraj Singh Varma: Volgens u moet er een groep gevormd worden van mensen met verschillende disciplines die moet kijken naar de klachten van de individuele personen?

De heer Kurk: Ik heb niet de titel om aan te geven wat er voor grote groepen mensen moet gebeuren. Ik geef aan, dat ik klachten in een bepaalde context heb kunnen duiden, dat ik daaraan iets heb kunnen doen en dat er daarnaast nog heel vragen overblijven. Ik heb in mijn brief overwegingen gegeven ten aanzien van de vraag, waar de mogelijke problemen zouden zitten.

Mevrouw Oedayraj Singh Varma: In ieder geval moeten de individuele klachten van de mensen serieus genomen worden.

De heer Kurk: In mijn hoedanigheid als internist moet ik de individuele klachten van de mensen per definitie serieus nemen.

Mevrouw Oedayraj Singh Varma: Mijn laatste vraag is, of u nog eens heel duidelijk kunt uitleggen wat genetisch gemanipuleerd mycoplasma is?

De heer Kurk: Eigenlijk moet u dat aan professor Nicolson vragen! In zijn schrijven staat dat de huis-, tuin- en keukenmycoplasma bewerkt is met delen van HIV-componenten, waardoor dat micro-organisme wat andere kwaliteiten krijgt.

De voorzitter: Mijnheer Kurk, ik heb nog een aantal vragen over om wat meer duidelijkheid te krijgen.

U heeft ons een vrij uitgebreide brief geschreven over wat u heeft gedaan aan de mensen die bij u zijn gekomen. Als wij nu deze 60 mensen op een rijtje zetten, kun je spreken van een onderzoek. Het gaat immers om 60 mensen, waarin bepaalde lijnen te herkennen zijn. Acht u het woord ''onderzoek'' in dezen verantwoord zonder dat je daar een nulmeting naast hebt, een referentiegroep om vergelijkend materiaal te kunnen krijgen?

De heer Kurk: Nee. Ik denk dat er een heel duidelijk onderscheid gemaakt moet worden met wetenschappelijk onderzoek. Ik zit hier niet als wetenschapper. Ik heb ieder individu bekeken. Achteraf heb ik bekeken, of er sprake was van bepaalde overeenkomsten. Ik doe dat ook bij andere groepen patiënten. Het gaat om een geselecteerde groep mensen. Het verbinden van bepaalde conclusies daaraan, kent naar mijn mening grote beperkingen.

De voorzitter: U schrijft in uw brief aan de commissie: ''Velen hebben een psycholoog of psychiater geconsulteerd, zonder dat een diagnose op dit gebied gesteld kon worden.'' U vervolgt dan: ''Derhalve blijft er twijfel bestaan over de rol van toxische stoffen als oorzaak van de vermoeidheidsklachten. Binnen een eigen kring van artsen en biochemici is aanvullend onderzoek afgesproken.''

De heer Kurk: Even ter correctie. De opmerking, dat mensen een psycholoog of psychiater geconsulteerd hebben, slaat niet op de Schipholmedewerkers. Ik heb in dat schrijven aan u mensen van Schiphol vergeleken met mensen met chronische vermoeidheid. Die categorie mensen heeft verschillende artsen bezocht, ook orgaandokters. Uiteindelijk zijn velen ook bij een psycholoog of psychiater geweest om alles te kunnen uitsluiten. Dan blijkt dat de klachten van chronisch vermoeidheid niet door orgaandokters, psychologen of psychiaters verklaard kunnen worden als zijnde een orgaanziekte of een psychiatrische aandoening.

De voorzitter: Als u schrijft, dat binnen een eigen kring van artsen en biochemici aanvullend onderzoek is afgesproken, wordt er dan wel een referentiegroep meegenomen?

De heer Kurk: Nee. Er is een onderzoeksprotocolletje van een aantal mensen – dat is aangemeld bij de medisch ethische commissie – dat in relatie tot het stofje van het tekort wil bekijken, of een en ander eventueel gebonden kan zijn aan toxische stoffen. Of dat werkelijk zo is, is nog zeer speculatief. Er is maar een manier om daarachter te komen. Dan zet je echter de stap van behandelaar naar onderzoek. Dat moet voldoen aan de voorwaarden die aan wetenschappelijk onderzoek verbonden zijn.

De voorzitter: Mijnheer Kurk, waarom zijn pas in oktober 1997 deze 60 medewerkers van Schiphol die gewerkt hebben in hangaar 8 bij u gekomen en niet eerder? In hangaar 8 lagen immers wrakstukken van het vliegtuig opgeslagen, brokstukken verarmd uranium. Deze mensen zijn mogelijkerwijs blootgesteld aan allerlei stoffen.

De heer Kurk: Ik weet dat niet.

De voorzitter: Heeft u dat niet nagevraagd?

De heer Kurk: Er zijn geleidelijk klachten ontstaan, waarvoor mensen links en rechts hulp gezocht hebben. Dat heeft ook tijd gekost. Er zijn mensen die reeds vijf of zes jaar klachten hebben, maar er zijn ook mensen die pas één of twee jaar klachten hebben. Dan zit je al veel dichter bij eind 1997. Er waren ook bepaalde veronderstellingen ten aanzien van de oorzaak. Als mensen hulp zoeken, er vindt onderzoek plaats en er wordt niets gevonden, is er sprake van een bepaalde onvrede, terwijl men zich tegelijkertijd afvraagt wat men nu verder moet doen.

De voorzitter: Ik probeer toch een beetje meer duidelijkheid te krijgen, mijnheer Kurk, want ik neem aan dat u niet de enige internist bent rondom Schiphol c.q. Amsterdam.

De heer Kurk: Nee.

De voorzitter: Waarom komen dan vanaf oktober 1997 deze mensen naar u toe? Dan moet toch ergens een overleg hebben plaatsgevonden tussen huisartsen die een aantal mensen onder behandeling hebben waarmee zij niet verder kunnen en zich afvragen of mijnheer Kurk geen oplossing zou kunnen bieden? Er moet toch op de een of andere manier over gesproken zijn, of Schiphol moet hebben gezegd: wij hebben contact gehad met de heer Kurk en adviseren u allen naar de heer Kurk te gaan. Misschien dat hij... Er moet toch iets gebeurd zijn? Het kan toch niet zo zijn dat in oktober 1997 zomaar 60 Schipholmedewerkers bij u komen en daarvoor niet?

De heer Kurk: Ik denk dat het komt doordat mensen op een gegeven moment onderling onderkend hebben dat er sprake is van gelijkvormige klachten. Zij hebben dat wel aangekaart, maar er is geen sprake geweest van onderkenning. Zij zijn her en der geweest met hun klachten. Chronische vermoeidheid is een subspecialisatie. Een aantal artsen houdt zich daarmee bezig. Als je bijvoorbeeld een probleem hebt met bloedarmoede of als sprake is van een nierziekte, kan veelal elke internist daarmee overweg. Als je echter kijkt wie zich in Nederland bezighoudt met het chronisch vermoeidheid syndroom, zie je her en der eilandjes van artsen van verschillend kunnen die zich daarmee bezighouden.

De voorzitter: Weet u, of er ook mensen bij collega's van u in de regio zijn geweest.

De heer Kurk: Ja, maar dan is een en ander niet onderkend op de wijze zoals ik dat aangeef.

De voorzitter: Heeft er uitwisseling plaatsgevonden van gegevens met deze internisten?

De heer Kurk: Een enkele keer. Het is incidenteel voorgekomen.

De voorzitter: Waarom zijn uitsluitend Schipholmedewerkers bij u terechtgekomen? In hangaar 8 hebben ook andere mensen gedurende een bepaalde periode gewerkt. Mensen die daar waren vanuit de politie, mensen van het RIT die nog tussen de resten hebben gezocht in verband met de identificatie van slachtoffers, et cetera. Velen hebben werkzaamheden verricht in hangaar 8 en alleen Schipholmedewerkers komen bij u.

De heer Kurk: Nee, ik heb ook wat andere mensen behandeld. Ik denk dat er een selectie optreedt. Mensen moeten weten dat ik besta. Ik heb heel veel mensen met chronische vermoeidheid op mijn polikliniek. Als je het wilt typeren naar klachten en naar mensen die een verband leggen met een bepaalde gebeurtenis, kun je wel spreken over wat andere mensen maar die zijn niet zo te definiëren als de grote groep Schipholmedewerkers die een verband met de werkzaamheden in hangaar 8 veronderstellen.

De voorzitter: Nog even voor de duidelijkheid: er zit geen verschil in het klachtenpatroon tussen mensen die daar bijvoorbeeld één uur aanwezig zijn geweest en mensen die daar drie, vier weken of langer gewerkt hebben?

De heer Kurk: Nee, en ook niet met mensen die chronische vermoeidheidsklachten hebben en nooit op Schiphol zijn geweest.

De voorzitter: Mijnheer Kurk, mijn laatste vraag. Kunnen micro-organismen in een vuurzee overleven?

De heer Kurk: Dat moet ik medisch verantwoord zeggen. Ik kan die vraag niet beantwoorden. Ik weet niet of daar experimenten over zijn. Maar het lijkt mij zeer onwaarschijnlijk.

De voorzitter: Lijkt u onwaarschijnlijk?

De heer Kurk: Ik denk dat uw uitspraak net zoveel waard is als de mijne.

De voorzitter: Dat is nog maar de vraag. Probeert u iets meer toe te lichten, waarom u dat onwaarschijnlijk acht.

De heer Kurk: Als je micro-organismen gaat kweken, zijn er hele nauwkeurige voorwaarden waaronder zo'n beestje wel of niet kan groeien. Als je spreekt over een enorme vuurzee waarin de temperatuur tot honderden graden is opgelopen, lijkt mij dat een vrij definitieve manier om bacteriën te doden.

De voorzitter: Een vrij definitieve manier?

De heer Kurk: Ja, dat lijkt mij wel.

De voorzitter: Ik kom tot een samenvatting, mijnheer Kurk. Ik hoor graag of u die kunt bevestigen.

Vanaf oktober 1997 hebben zich na verwijzing van huisartsen 80 Schipholmedewerkers bij u gemeld, waarvan 60 een nader onderzoek hebben ondergaan.

De heer Kurk: Dat klopt.

De voorzitter: De klachten vertonen een grote overeenkomst: spierpijn, gewrichtsklachten, vermoeidheidsverschijnselen en geheugenstoornissen. Gemiddeld over een periode van 3,5 jaar zijn er klachten. Deze klachten zijn niet toe te schrijven aan een trauma.

De heer Kurk: Correct.

De voorzitter: Deze mensen zijn volledig lichamelijk onderzocht.

De heer Kurk: Correct.

De voorzitter: Bij al deze mensen is laboratoriumonderzoek gedaan.

De heer Kurk: Correct.

De voorzitter: Bij zowel het lichamelijk onderzoek als het laboratoriumonderzoek zijn geen medische afwijkingen gevonden.

De heer Kurk: Correct.

De voorzitter: Wel constateert u in een groot aantal gevallen een verlaagd carnitineniveau.

De heer Kurk: Correct.

De voorzitter: Dit vertoont gelijkenissen met het chronisch vermoeidheid syndroom.

De heer Kurk: Correct.

De voorzitter: Er is geen relatie tussen de duur van het verblijf in hangaar 8 en de klachten.

De heer Kurk: Dat klopt.

De voorzitter: Er is nog onvoldoende kennis om een relatie te leggen tussen toxische stoffen en het chronisch vermoeidheid syndroom.

De heer Kurk: Correct.

De voorzitter: U heeft nooit een relatie gelegd tussen de klacht van deze groep mensen en het Golfoorlogsyndroom.

De heer Kurk: Correct.

De voorzitter: U heeft een enkele keer mycoplasmadiagnose gesteld om op basis daarvan een goede behandeling te kunnen voorschrijven.

De heer Kurk: Correct.

De voorzitter: U kunt geen uitspraken doen over de stellingen van professor Nicolson. Hij heeft daarop het patent. Er is geen controle op mogelijk.

De heer Kurk: Correct.

De voorzitter: U noemt het genetisch gemanipuleerde mycoplasma zeer speculatief.

De heer Kurk: Het is een bewering die aan aantal keren bevestigd moet worden voordat je daarover verantwoord en met zekerheid ten aanzien van patiënten en behandeling van klachten kunt spreken.

De voorzitter: Dus speculatief!

De heer Kurk: Ja.

De voorzitter: Hier in Nederland moet serieus naar de klachten gekeken worden. Dan hoeven mensen niet naar het buitenland te gaan en onnodig kosten te maken.

De heer Kurk: Dat vind ik ook.

De voorzitter: Micro-organismen kunnen niet overleven in een vuurzee.

De heer Kurk: Die kans lijkt mij erg klein.

De voorzitter: Ik dank u wel, mijnheer Kurk. Daarmee is dit openbaar verhoor beëindigd. Ik verzoek de griffier de heer Kurk uit te geleiden.

14.30 uur

Pierre Heijboer reageert op de verhoren van de parlementaire enquêtecommissie.
Hij meent dat de volgende prangende vragen ontbraken of onwaarheden werden verteld.


Commentaar van de dag door publicist Pierre Heijboer