Belangenverstrengeling:
Verbod op justiële ambtenaren als rechter.












Tweede Kamerlid
Th.J.M. Hendriks





Politieke vragen . . . SDN homepage

De Voorzitter heeft heden de volgende vragen aan de regering doorgezonden

Vragen van het lid Hendriks (Fractie Hendriks) over een verbod op justiele ambtenaren als rechter ingezonden 29 januari 1998.

  1. Is het u bekend dat in Nederland een veertigtal ambtenaren van het Openbaar Ministerie fungeert als rechter?

  2. Acht u het gewenst dat ambtenaren van het Openbaar Ministerie eveneens deel uitmaken van de zittende magistratuur?

  3. Zo ja, waarom? Zo neen, bent u bereid aan deze situatie een einde te maken door middel van een wettelijk verbod?

681236/898/ 16 februari 1998.



Antwoorden van de Minister van Justitie op Kamervragen van het Lid Hendriks, over een verbod op justiële ambtenaren als rechter.
(Ingezonden 29 januari 1998, nr.2979806040)


  1. In Nederland functioneren officieren van justitie niet tevens als vaste rechter. Wel bestaat de mogelijkheid dat officieren van justitie als rechter-plaatsvervanger optreden. Het optreden als rechter-plaatsvervanger geschiedt op zeer kleine schaal, onder andere ter voorbereiding van een definitieve overstap naar de zittende magistratuur. Voorts wordt een beperkt aantal voormalige officieren van justitie, die op grond van leeftijd uit hun functie zijn ontslagen, als rechter-plaatsvervanger ingezet.

  2. Leden van het openbaar ministerie maken geen deel uit van de zittende magistratuur. Het is aan de rechtsprekende macht zelf om, binnen de wettelijke grenzen, te beslissen wie in een concreet geval als rechter-plaatsvervanger wordt ingezet. De minister van justitie kan, gezien de constitutionele positie van de zittende magistratuur, geen invloed op de toedeling van zaken uitoefenen.

  3. Het opnemen van een wettelijk verbod voor de officier van justitie om op te treden als rechter-plaatsvervanger is, mede gezien de huidige praktijk, overbodig. Het concept-wetsvoorstel tot aanvulling van de wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren met enige regels omtrent de uitoefening van het rechter-plaatsvervangerschap bevatte een landelijk verbod voor de officier van justitie om als rechter-plaatsvervanger in de strafsector op te treden. Dit concept-wetsvoorstel is, zoals uiteengezet in de brief van 3 november 1997 aan de Tweede Kamer (kamerstukken II, 25600 VI, nr 12), aangehouden. Tevens is in deze brief aangegeven dat de inzet van rechter-plaatsvervangers zal worden afgebouwd. De rechterlijke macht dient in zijn functioneren niet structureel afhankelijk te zijn van de inzet van rechter-plaatsvervangers. Wel blijft het mogelijk om rechters-plaatsvervangers in te zetten in het kader van opleiding, (exclusieve) specialismen en ziekte en verlof.

Terug naar het begin
Homepage van Kamerlid Hendriks